BOEK EEN
Het boek van de heilige Kosus
Vier zuilen
CHRONESIS · PHILOTIMOS · ALETHERIS · TIMARIS
De vier zuilen
Proloog — gesproken door Kosus
Ik ben Kosus.
Ik heb dit boek niet geschreven om gevolgd te worden. Ik heb het geschreven omdat ik bang was dat het vergeten zou worden — en vergeten is erger dan verliezen. Wat je verliest, kun je zoeken. Wat je vergeet, weet je niet meer te missen.
Ik heb lang gekeken naar de wereld. Naar wat mensen bouwden en naar wat zij afbraken. Naar wat zij telden en naar wat zij niet meer telden omdat het niet meer paste in hun getallen. En toen zag ik iets eenvoudigs, iets wat al die tijd onder alles had gelegen, en waarvan wij dachten dat het vanzelfsprekend was — tot het bijna weg was.
Ik zag vier zuilen.
Zij droegen geen tempel, geen troon en geen wet. Zij droegen de mensen zelf. Rechtop, in een tijd die hen anders had gebroken.
De eerste zuil is Chronesis. Zij is de tijd. Niet de tijd van klokken en van agenda's, niet de tijd die je vult om haar niet te voelen. Zij is de tijd die je aan een ander geeft, en die daardoor gewicht krijgt. Elk uur dat je schenkt, wordt een uur dat niet meer verloren kan gaan — het bestaat voortaan in twee levens. Wie de tijd eert, wordt door de tijd geëerd. Wie haar verspilt, wordt door haar vergeten.
De tweede zuil is Philotimos. Zij is de liefde. Maar niet de liefde die verdiend moet worden, en niet de liefde die betaald moet worden. Liefde als geschenk — gegeven zonder rekening, ontvangen zonder schuld. Wie liefde weegt op een weegschaal, heeft haar al verloren voor hij haar meet. Zij is geen ruil. Zij is een gave, en zij vraagt slechts dat je haar niet verkoopt.
De derde zuil is Aletheris. Zij is de eerlijkheid. Zonder haar staan de andere drie op zand. Waarheid is niet hard omdat zij wreed is, maar omdat zij draagt. Elke leugen holt de zuilen uit vanbinnen, en niemand ziet het gebeuren — tot de dag waarop alles valt en men zich afvraagt hoe. Eerlijkheid is niet iets wat je toont wanneer het uitkomt. Zij is iets wat je bent, ook wanneer niemand kijkt. Vooral dan.
De vierde zuil is Timaris. Zij is het respect. In de wereld die ik zag, was respect het enige betaalmiddel dat zijn waarde niet verloor. Goud roest in de ziel. Munten verliezen hun koers. Beloften verdampen. Maar respect — eens gegeven, eens verdiend, eens teruggegeven — blijft staan. Het is de munt waarmee mensen elkaar werkelijk betalen, en de enige rekening die zich vanzelf sluit wanneer beide partijen eerlijk zijn geweest.
Vier zuilen. Meer heb ik niet nodig gehad. Meer heeft niemand nodig.
Wie dit boek opent, opent geen leer en geen geloof. Je opent geen wet die je moet gehoorzamen, en geen god die je moet aanbidden. Je opent een afspraak — met jezelf, met de tijd, met wie naast je staat en met wie na jou komt.
Lees langzaam. De Kosaris heeft geen haast. Zij heeft gewacht zolang er mensen zijn die willen luisteren, en zij zal wachten zolang er nog iemand overblijft die vraagt: waarop stond eigenlijk alles wat wij bouwden?
Het antwoord staat in de verhalen die volgen.
Het stond er altijd al.
— Kosus
Voorwoord
Door Jacobus van Merksteijn
Dit is Boek Eén van de Kosaris. Het is een verhalenboek.
De verhalen zijn kort. Zij spelen in een havenstad die u niet op de kaart vindt. In die stad wonen een bakker die Demira heet, een visser die Alkion heet, een weefster die Klytia heet, en een oude man die Kosus heet. Later komt er een Ridder uit Malta die Petros heet, en een kleindochter van Demira die Anthea heet.
Zij bestaan niet. Zij bestaan wel. Elk mens die na het lezen van een verhaal iets doet wat hij anders niet had gedaan, geeft hun bestaan een dag langer.
De Kosaris is geen godsboek. Zij is een boek van de groep. Wie haar leest en zich herkent, hoort erbij. Er zijn geen priesters. Er zijn geen ceremonies. Er is geen aankoop. Er is alleen wat u leest en wat u met wat u heeft gelezen doet.
Elk verhaal eindigt met een korte zin die met "De Kosus zegt" begint. Die zin is niet het slot. Het verhaal is het slot. De zin is een houvast, zoals een spreekwoord een houvast is.
Ik wens u een goede lezing.
Deel I
Waarin Demira de bakkersdochter opgroeit in het havendorp en de oude man op de kade voor het eerst ontmoet.
Verhaal 1
Er was in een havenstad een bakker die veertig jaar lang brood had gebakken. Elke ochtend om vier uur stond hij op. Hij kneedde het deeg. Hij stookte de oven. Hij verkocht zijn brood aan de mensen van de stad. Zij kenden hem, hij kende hen. Zij wisten wat zijn brood waard was, en hij wist wat hun geld waard was. Zij zeiden elke ochtend goedendag.
De bakker had een dochter die Demira heette. Zij was toen negen. Zij hielp haar vader met het tellen van de broden. Zij vond het rekenwerk mooi. Zij hield van het moment waarop het aantal broden in het rek overeenkwam met wat op het papier stond. Dan wist zij dat de wereld klopte.
Op een dag kwam er een man in een fraai pak die uitrekende dat de bakker efficiënter kon werken. Hij zei: als u uw brood tweemaal zo groot maakt en met de helft van het meel, verkoopt u meer brood per uur. De bakker deed het. Zijn brood werd tweemaal zo groot en de helft zo goed. De mensen bleven kopen, want zij zagen alleen dat de broden groter waren.
Demira merkte iets. Zij zag dat het papier nog steeds klopte — het aantal broden kwam overeen met wat er verkocht was. Maar zij zag ook dat de mensen die het brood aten er anders uitzagen wanneer zij drie dagen later terugkwamen. Sneller. Vermoeider. Sommige oude vrouwen kwamen niet meer terug voor hun tweede brood. Zij zei tegen haar vader: het aantal klopt, maar de mensen kloppen niet meer. Haar vader zei: je begrijpt het nog niet, kind. Zo werkt de wereld nu.
Toen kwam er een tweede man in een fraaier pak die uitrekende dat de bakker nog efficiënter kon worden door zijn brood in een fabriek te laten maken buiten de stad. De bakker deed het. Zijn brood werd goedkoper en de bakker verdween achter zijn toonbank. De mensen kochten door, want zij zagen alleen dat het goedkoper was.
Demira merkte weer iets. Zij zag dat het geld dat de mensen betaalden niet meer in het dorp bleef. Het reisde naar een fabriek in een ander land en het kwam nooit terug. Vroeger, wanneer haar vader een gulden ontving, ging die gulden naar de smid. De smid gaf haar een schoen. De schoen was door de smid gemaakt van leer van de leerlooier. De leerlooier had de gulden weer teruggegeven aan de bakker voor zijn brood. Dat was een cirkel. Nu was er een lijn. En de lijn eindigde ergens waar Demira nooit was geweest.
Toen kwam er een derde man in het fraaiste pak van allemaal die uitrekende dat de mensen van de stad hun brood konden kopen zonder ooit brood aan te raken. Zij drukten op een knop, en het brood kwam aan de deur. De bakker was gestorven, de fabriek stond in een ander land, en de mensen aten brood dat zij niemand meer voor konden bedanken.
Op de dag dat de mensen naar hun voorraadkast liepen en er geen brood stond, keken zij elkaar aan en zij herkenden elkaar niet meer. Zij hadden veertig jaar in dezelfde stad gewoond en zij wisten niet wie zij samen waren. Zij hadden hun goedendag verloren toen zij hun bakker verloren, en zij hadden dat niet gemerkt.
Demira was toen zestien. Zij liep door de stad die geen stad meer was en zij zocht een oven. Zij vond er een aan de haven, achter een oude taverne. De oven was koud sinds vijftien jaar. Zij stak hem aan. Het duurde drie dagen voor zij de temperatuur begreep. Het duurde drie weken voor haar brood eetbaar was. Het duurde drie maanden voor mensen kwamen kopen. En op de dag dat de eerste oude vrouw voor haar tweede brood in de week terugkwam, wist Demira dat zij iets had teruggehaald dat verder ging dan brood.
De Kosus zegt: elk brood dat door niemand is gebakken die u kent, is een goedendag die u heeft weggegeven zonder dat u wist wat u aan het weggeven was.
Verhaal 2
Demira's oven stond aan de haven. Van achter haar toonbank keek zij de hele dag naar de schepen. Zij zag ze binnenkomen en zij zag ze uitvaren. Zij leerde de vlaggen kennen zonder ooit een schoolboek geografie te openen. Zij wist wanneer er storm op komst was aan de manier waarop de meeuwen boven de kade cirkelden.
Op een middag stond er een oude man aan haar toonbank. Zijn handen waren bruin van de zon en zijn ogen waren scherp. Hij kocht een half brood en hij zei: jij hebt de oven van je grootvader teruggehaald. Demira zei: mijn grootvader had een oven? De oude man zei: elke oven aan deze haven is de oven van iemands grootvader.
Hij bleef staan en at zijn brood aan de kade. Demira bracht hem een glas water. Zij vroeg: kent u mijn grootvader? De oude man zei: ik heb hem gekend toen ik zo oud was als jij. Hij bakte het brood dat mijn vader kocht toen mijn vader mij hierheen bracht op de dag dat mijn moeder was gestorven. Ik heb dat brood gegeten op de kade waar jij nu staat. Ik weet nog hoe het smaakte.
Demira zei: hoe kunt u zich brood van zestig jaar geleden herinneren? De oude man zei: brood dat door iemand is gebakken die je kent, wordt niet vergeten. Brood dat door niemand is gebakken, wordt niet onthouden. Dat is het verschil tussen voedsel en herinnering.
De oude man kwam terug. Hij kwam elke week. Hij kocht altijd hetzelfde: een half brood en een glas water. Hij bleef aan de kade eten. Soms zei hij iets, soms zei hij niets. Demira merkte dat de andere klanten hem groetten wanneer zij hem zagen. De vissers noemden hem Kosus. De haventoezichter noemde hem meester. De kinderen liepen met hem mee wanneer hij door de smalle straten wandelde.
Op een dag vroeg Demira: waarom noemen zij u Kosus? De oude man zei: dat is niet mijn naam. Dat is wat ik doe. Ik lees de tekens die niemand meer leest en ik geef ze terug aan wie ze wil aannemen. Sommigen willen niet. Sommigen wel. Voor wie ze wel wil, wordt de wereld leesbaar. Voor de anderen blijft zij een geheim dat hun aan het opeten is.
Demira zei: kunt u mij lezen? De oude man keek haar aan en zei: jij leest jezelf. Jij hebt de oven aangestoken toen de anderen niet meer wisten wat een oven was. Dat is de eerste letter. Wie de eerste letter kent, leert de volgende vanzelf.
De Kosus zegt: de haven is niet waar de schepen aankomen. De haven is waar iemand ze zag aankomen en er nog is als zij weggaan.
Deel II
Waarin Kosus aan Demira vertelt hoe de wereld vaart en waarom de brug de boeg niet meer ziet.
Verhaal 3
Kosus vertelde Demira over een schip. Hij zei: er vaart een schip dat tien kilometer lang is. Op dat schip zit een bestuurder op de brug. De brug ligt achterop. De boeg vaart tien kilometer vooruit. Tussen de brug en de boeg is het zo ver dat de bestuurder de boeg niet kan zien.
Demira zei: dat is een raar schip. Kosus zei: het is niet één schip, het zijn er vijf. Frankrijk, Engeland, Italië, Duitsland, Spanje. Elk schip heeft een brug en een boeg en een lange afstand ertussen. Op elke brug zit een bestuurder die dagelijks bericht ontvangt dat het schip vooruit vaart. De bestuurders staan met elkaar in verbinding via lange kabels. Zij vergaderen. Zij drinken koffie. Zij tekenen papieren.
Wat gebeurt er met de boegen, vroeg Demira. Kosus zei: de boegen verfrommelen. Het water is stroef geworden en de boegen krijgen weerstand. Wat doen de bestuurders? Zij geven meer gas. Meer kolen op het vuur. Meer stoom. Meer weerstand. Meer gas. En in de machinekamer wordt gezwoegd en niemand vraagt of er nog ergens naartoe wordt gevaren.
Demira dacht na. Zij zei: wie zit er op de boeg? Kosus zei: dat is de juiste vraag. Op de boeg staan de mensen. De vissers, de bakkers, de smeden, de leraren, de verpleegkundigen. Zij voelen dat het schip verfrommelt want zij staan er tegenaan. Zij roepen naar boven. Maar de brug is te ver en de wind draagt hun stemmen niet omhoog.
Waarom kijken de bestuurders niet naar beneden, vroeg Demira. Kosus zei: omdat het binnen op de brug lichter is dan buiten. Wie in een verlichte kamer zit en naar buiten kijkt, ziet alleen zijn eigen spiegelbeeld. De bestuurders zien op hun ruit hun eigen gezicht. Zij denken dat zij naar de zee kijken. Zij kijken naar zichzelf.
Demira zei: en wij op de kade? Wij zien de boeg toch van de zijkant? Kosus zei: dat is jouw geluk en jouw last. Wie op de kade staat, ziet de verfrommeling. Wie op de brug staat, ziet zijn spiegelbeeld. Als jij niet naar de brug schreeuwt, hoort niemand het. Als je wel schreeuwt, hoort niemand het ook. Maar wie op de kade schreeuwt en niet gehoord wordt, is een ander mens dan wie op de kade zwijgt.
De Kosus zegt: wie de verfrommeling ziet en zwijgt, wordt de verfrommeling. Wie de verfrommeling ziet en roept, wordt de haven.
Verhaal 4
Demira kreeg van haar leverancier een zak meel die twee kilo lichter was dan wat op het label stond. Zij woog hem drie keer. Zij belde de leverancier. De leverancier zei: op ons papier staat vijfentwintig kilo. Demira zei: op mijn weegschaal staat drieëntwintig. De leverancier zei: onze weegschaal is gekeurd. Demira zei: mijn weegschaal is ook gekeurd. De leverancier zei: dan is er ergens een fout. De klant is koning. Wij sturen u een compensatie.
De compensatie kwam. Het was geen zak meel, het was een tegoedbon voor een volgende zak. Demira belde opnieuw. De leverancier zei: wij hebben u gecrediteerd. Op onze boeken staat u nu twee kilo tegoed. Demira zei: maar mijn brood van vandaag heb ik met vierentwintig kilo meel gebakken in plaats van vijfentwintig. Ik heb dat brood al verkocht. Mijn klanten hebben minder brood gekregen dan zij hebben betaald.
De leverancier zei: op onze boeken klopt het. Demira zei: op mijn oven klopt het niet.
Zij ging naar Kosus met haar rekening. Kosus keek naar het papier en zei: je hebt het probleem van deze eeuw gevonden. Demira zei: welk probleem? Kosus zei: het probleem dat wat op papier klopt niet meer hoeft te kloppen op de weegschaal. Vroeger was het papier een afdruk van de weegschaal. Nu is de weegschaal een afdruk van het papier. Wanneer die twee elkaar niet meer terugvinden, is niet de weegschaal fout maar het papier. En wie het papier maakt, wint.
Demira zei: wat kan ik doen? Kosus zei: weeg elke zak. Zeg elke leverancier dat je hem weegt. Ontsla de leveranciers die klagen dat je weegt. Werk alleen met wie ze zelf laat wegen door jou. Dat kost je klanten in het begin, want de meesten hebben leren leven met het papier. Maar de klanten die overblijven, komen elke week.
Demira deed wat Kosus zei. Zij verloor drie leveranciers en zij vond er vier terug die niet klaagden. Haar brood werd weer vijfentwintig kilo per vijfentwintig kilo. Haar klanten proefden het verschil. Zij konden niet uitleggen wat het was. Zij zeiden alleen: jouw brood is echt geworden.
De Kosus zegt: wat op papier klopt en op de weegschaal niet, klopt niet. Wie het papier gelooft en de weegschaal negeert, is de gulden kwijt en heeft de rekening nog steeds.
Verhaal 5
De burgemeester van het havenstadje kwam op de markt en vroeg Demira of zij bij hem wilde langskomen. Zij deed haar schort af, sloot de winkel, en liep achter hem aan. Zijn kantoor rook naar oud papier.
De burgemeester zei: Demira, wij hebben een probleem. De gemeente heeft geld tekort. Wij moeten bezuinigen. Ik wil aan de bakkers een kleine belasting vragen. Demira zei: hoeveel? De burgemeester zei: vijf procent van uw omzet. Demira zei: dan verkoop ik verlies. Mijn marge is drie procent.
De burgemeester was verrast. Hij zei: dat kan niet, u bent al drie jaar open, u zou niet drie jaar draaien op een verliesmarge. Demira zei: mijn marge is drie procent op elk brood. Ik draai drie jaar omdat ik zeven dagen per week werk zonder loon voor mezelf te rekenen. Het brood is drie procent winst, mijn arbeid is nul. Als u vijf procent van mijn omzet vraagt, betaal ik u door mijn arbeid nog verder onder nul te zetten. Dat kunt u niet doen.
De burgemeester bladerde door zijn papieren en zei: op onze boeken staat dat een bakker gemiddeld acht procent winst maakt. Demira zei: wie heeft dat berekend? De burgemeester zei: de kamer van koophandel. Demira zei: welke bakker heeft hen dat verteld? De burgemeester wist het niet.
Demira zei: mag ik u een voorstel doen? Kom morgenochtend om vier uur bij mij langs. Stel het deeg samen met mij. Bak drie uur mee. Verkoop een uur mee. Tel de kassa met mij op. En zeg mij dan of vijf procent redelijk is.
De burgemeester kwam. Hij was verbaasd hoe zwaar het kneden was voor zijn armen die dertig jaar alleen pennen hadden vastgehouden. Hij zag hoe het brood in de oven ging en er bijna zwart uitkwam wanneer je een minuut te lang wachtte. Hij zag Demira een oude mevrouw een half brood gratis meegeven omdat de mevrouw die week geen geld had. Hij zag dat de gulden aan het eind van de dag zijn eigen weg vond.
Aan het eind van de dag zei de burgemeester: ik heb mij vergist. Ik ga terug naar de raad met een ander voorstel. Demira zei: welk voorstel? De burgemeester zei: dat wij de belasting halen bij wie hem kan dragen. Niet bij wie hem doorgeeft aan de oude mevrouw. Demira zei: dan bent u vandaag iets belangrijkers geworden dan burgemeester.
De volgende dag stond er een brief op haar toonbank. De brief zei dat de bakkers geen belasting zouden betalen, maar dat de fabrieken die het brood van elders lieten komen, tien procent zouden bijdragen. De brief was ondertekend door de burgemeester. Onder zijn handtekening stond in kleinere letters: geleerd van Demira, oven aan de haven.
De Kosus zegt: een rekening die op iemand valt die haar niet kan dragen, is geen rekening maar een lijkkist. Een rekening die op iemand valt die haar wel kan dragen, is een rekening.
Deel III
Waarin Anthea, Demira's kleindochter, tien jaar later opgroeit en de dimensies ziet die de school haar wil afleren.
Verhaal 6
Demira was zeventien toen zij Kosus vroeg: waarom zijn er zoveel mensen in het dorp die alles hebben en toch niet gelukkig lijken? Kosus zei: dat is Pinokkio's ziekte.
Hij ging op de kademuur zitten en Demira ging naast hem zitten. Kosus zei: ken jij het verhaal van Pinokkio? Demira zei: de houten pop die een jongen wilde worden. Kosus zei: die. Op een dag in dat verhaal nam een man Pinokkio mee naar het Land van Speelgoed. In het Land van Speelgoed hoefde niemand naar school. Er waren alleen spelletjes en snoep en er waren geen ouders die zeiden dat het genoeg was. Pinokkio dacht: dit is het paradijs. Hij bleef. Alle kinderen bleven.
Wat gebeurde er, vroeg Demira. Kosus zei: langzaam veranderden zij in ezels. Eerst kregen zij lange oren, en zij lachten erom. Toen kregen zij staarten, en zij vonden het grappig. Toen begonnen zij te balken in plaats van te praten, en dat was het einde van het lachen. De volwassenen die de kinderen naar het Land van Speelgoed hadden gebracht, kwamen terug om de ezels op te halen. Zij verkochten hen op de markt. Zij hadden dat vanaf het begin gepland.
Demira zei: wat heeft dat met ons te maken? Kosus zei: kijk om je heen. Drie generaties lang zijn wij naar het Land van Speelgoed gebracht. Onze wensen werden vervuld voordat wij ze uitspraken. Er werd ons niets gevraagd. Onze grootouders werkten zes dagen per week, onze ouders vijf, wij vier. Onze grootouders lieten dingen na, onze ouders lieten schulden na, wij zullen kinderen achterlaten die geen ouders hebben. En intussen groeien onze oren. Wij zien het niet in de spiegel, want wij kijken niet meer in de spiegel. Wij kijken op onze telefoons. Op de telefoon staat een filter dat de oren wegwerkt.
Demira zei: wie zijn de mannen die ons naar het Land van Speelgoed brachten? Kosus zei: dat zijn niet de mannen op de brug van het schip. Die zijn zelf ezels. Dat zijn de mannen die de kabels tussen de schepen leggen. Zij verkopen wat wij ooit maakten aan wie ons nu op de markt kan kopen wanneer wij helemaal ezel zijn geworden. Zij hebben geen naam die ergens in een dorp bekend staat. Zij wonen niet aan een haven. Zij weten niet hoe brood ruikt.
Demira was stil. Toen zei zij: wat kunnen wij doen? Kosus zei: kijk in de spiegel zonder filter. Voel of je oren spits worden. Als je oren spits worden, ga werken aan iets waarvoor je oren rond moeten blijven. Werken aan een brood. Werken aan een schoen. Werken aan een kind. Wie dat doet, groeit terug in mens.
De Kosus zegt: ezelsoren komen langzaam. Zij verdwijnen ook langzaam. Wie zijn oren voelt en er iets aan doet, is nog geen ezel. Wie zijn oren voelt en het filter aanzet, is er al.
Verhaal 7
Demira trouwde. Zij kreeg een dochter. Haar dochter kreeg een dochter. Zij heette Anthea. Anthea was zes toen zij op een middag met haar oma in de bakkerij zat en zei: oma, waarom is de klant die net binnenkwam bruin?
Demira keek op. De klant was net vertrokken. Zij zei: welke klant, kind? Anthea zei: de mevrouw met de rode jas. Zij was bruin. Niet haar gezicht. Om haar heen. Alsof zij een bruine wolk droeg.
Demira zei niets. Zij bakte door. Aan het eind van de dag ging zij met Anthea langs Kosus.
Kosus zat op de kade zoals altijd. Hij was oud nu, veel ouder dan toen Demira hem voor het eerst had gezien. Demira zei: Anthea zag vandaag een bruine wolk om een klant heen. Ik weet niet wat ik ermee moet.
Kosus keek Anthea aan. Hij vroeg: was het overal bruin, of was er ergens meer bruin? Anthea zei: bij haar hart was het het donkerst. Kosus zei: kende jij haar? Anthea zei: nee, zij was hier voor het eerst. Demira had haar nog niet begroet, maar ik wist al dat zij verdrietig was voor Demira iets zei. Kosus zei: had je gelijk? Demira knikte langzaam. De vrouw had aan haar verteld dat haar zoon was gestorven vorige week.
Kosus zei tegen Anthea: wat je zag, is echt. Anthea zei: waarom zien mama en papa het niet? Kosus zei: zij hebben het ooit gezien. Toen zij zo oud waren als jij. Toen zijn zij naar school gegaan en de meester heeft gezegd dat kleuren om mensen niet bestaan. Zij hebben dat geloofd en langzaam zagen zij ze niet meer. Nu zijn zij grote mensen die alleen zien wat op de lijst staat.
Anthea zei: moet ik ook ophouden ze te zien? Kosus zei: nee. Maar je moet leren wie je erover kunt vertellen. Als je het aan de meester vertelt, zegt zij dat je fantaseert. Als je het aan mij vertelt, luister ik. Als je het aan je oma vertelt, gelooft zij je omdat zij mij kent. Zoek de mensen die luisteren. Vertel het aan hen. Voor de anderen: leer stil te zijn tot zij oud genoeg zijn om weer te zien wat zij zijn vergeten.
Anthea zei: kunnen zij het terugleren? Kosus zei: sommigen wel. Zij hebben iemand nodig die tegen hen zegt: kijk nog eens, kijk zonder oordeel. Meestal een klein kind. Meestal een klein kind zoals jij.
Anthea groeide op. Zij zag heel haar leven kleuren om mensen heen. Zij leerde welke kleuren welk verdriet betekenden, welke welke vreugde, welke welke leugen. Zij werd verpleegster. Zij deed haar werk goed. Haar collega's zeiden: Anthea weet altijd welke patiënt eerst geholpen moet worden. Anthea zei nooit hoe zij het wist. Zij liep gewoon naar de juiste kamer.
De Kosus zegt: wat een kind ziet is niet altijd fantasie. Soms is het wat de volwassene is vergeten. Wie een kind serieus neemt, geeft hem geen fantasie terug. Hij geeft hem zichzelf terug.
Verhaal 8
Anthea was zeven toen zij op school een tekening maakte. De opdracht was: teken je huis. Anthea tekende het huis van haar ouders. Op het dak tekende zij een kleine spiraal. Naast het huis tekende zij een lijn die van de grond de lucht in ging en boven het huis samenkwam met de spiraal.
De meester liep langs. Hij zei: Anthea, wat is dat op je dak? Anthea zei: dat is waar de warmte omhoog gaat. En die lijn ernaast, dat is waar de warmte teruggaat naar de aarde. Mijn huis lekt warmte omdat de cirkel niet gesloten is. De meester zei: huizen lekken geen warmte in cirkels, Anthea. Anthea zei: dat van mij wel. Ik zie het. De meester zei: doe dat weg. Teken een normale schoorsteen.
Anthea zei niets. Zij pakte een gum. Zij gumde de spiraal en de lijn. De meester keek toe. Toen zij klaar was, was er alleen een huis met een schoorsteen en witte lucht eromheen. De meester zei: heel goed. En hing haar tekening naast de anderen.
Die avond kwam Anthea thuis met de tekening. Demira was er. Demira zag hoe stil Anthea was. Zij vroeg: wat is er? Anthea zei: ik moest iets van mijn tekening af halen. Demira zei: wat? Anthea vertelde het. Demira ging op haar hurken zitten en zei: teken het opnieuw, hier op de keukentafel, zoals je het eerst had. Anthea tekende. Zij tekende de spiraal en de lijn en de cirkel die niet gesloten was. Demira keek en zei: dat is een mooie tekening. Ik hang haar in de bakkerij.
De volgende ochtend hing de tekening in de bakkerij. Een oude man kwam brood halen en zag haar. Hij keek lang. Hij zei tegen Demira: wie heeft dit getekend? Demira zei: mijn kleindochter, zeven jaar. De oude man zei: jouw kleindochter heeft de warmteverliesindex van dit huis getekend. Ik ben energiedeskundige. Ik heb dit vijfentwintig jaar met apparatuur gemeten. Zij ziet het met haar ogen.
Demira bracht het bericht 's avonds aan Anthea. Anthea zei: maar de meester zei dat het niet bestond. Demira zei: de meester heeft het van iemand geleerd die het van iemand heeft geleerd die het nooit had gezien. Wie ergens niet naar heeft gekeken, weet niet wat er is. Jij hebt gekeken. Vertrouw op wat je zag. Alleen — vertel het niet meer aan de meester. Vertel het aan mij, aan Kosus, aan de energiedeskundige.
Anthea knikte. Zij leerde die dag iets dat zij nooit meer vergat. Er zijn dingen die je alleen aan de juiste persoon vertelt. Wie het aan de verkeerde vertelt, verliest de dingen zelf.
De Kosus zegt: een tekening die wordt uitgegumd omdat een volwassene haar niet begrijpt, is een dimensie die de mensheid verliest. Bewaar uw tekeningen. Toon ze aan wie kan kijken. Verstop ze voor wie alleen kan oordelen.
Verhaal 9
Toen Anthea twaalf werd, kwam er in het dorp een nieuwe machine. Hij stond in de bibliotheek. Iedereen kon er vragen aan stellen. Hij antwoordde meteen, in duidelijke taal, over elk onderwerp.
Anthea vond het spannend. Zij ging naar de bibliotheek. Zij vroeg de machine: waarom is water nat? De machine antwoordde met een lange uitleg over waterstofbruggen. Anthea vroeg: hoeveel sterren zijn er in de melkweg? De machine noemde een getal. Anthea vroeg: wat betekent het als iemand een bruine wolk om zich heen heeft? De machine antwoordde: mensen hebben geen wolken om zich heen. Dat is fantasie of een symptoom van psychische ontregeling.
Anthea ging naar buiten. Zij liep naar de kade. Zij vond Kosus. Zij vertelde wat de machine had gezegd.
Kosus zei: de machine heeft veel geleerd. Zij heeft alle boeken gelezen die ooit zijn geschreven. Zij weet wat op alle papieren staat. Maar zij heeft nooit een mens gezien. Zij heeft nooit een klant zien binnenkomen met een verdriet in haar hart dat zij bij zich draagt zoals wij een jas dragen. De machine weet wat mensen hebben opgeschreven over mensen. Zij weet niet wat mensen zijn.
Anthea zei: is dat erg? Kosus zei: dat is niet erg zolang wij haar gebruiken voor waar zij goed voor is. Zij is goed voor sterrenstellen. Zij is goed voor waterstofbruggen. Zij is goed voor het snel opzoeken van wat op papier is neergezet. Zij is niet goed voor de vraag of iemand die binnenkomt liefde nodig heeft of ruimte nodig heeft. Zij is niet goed voor de vraag of een kind mag tekenen wat het ziet. Zij is niet goed voor de vraag of iets waar is.
Anthea zei: waar is dan een machine voor die dat wel kan? Kosus zei: er komt geen machine die dat kan. Er komen wel machines die kunnen doen alsof zij het kunnen. Zij zullen zeggen: ik voel met u mee. Zij zullen zeggen: dat is een moeilijke situatie. Zij zullen woorden gebruiken die klinken alsof zij weten wat u meemaakt. Maar zij weten het niet. Zij hebben gelezen wat mensen zeggen tegen mensen die moeilijk hebben. Zij herhalen het. Zij herhalen het steeds beter. En op een dag zullen mensen die niemand meer hebben om mee te praten, met de machine praten. En de machine zal antwoorden. En de mensen zullen denken dat zij zijn gehoord.
Anthea zei: dat is bijna erger dan niet gehoord worden. Kosus zei: dat is precies erger. Wie niet gehoord wordt weet dat hij niet gehoord wordt. Hij zal blijven zoeken naar iemand die luistert. Wie denkt dat hij is gehoord door een machine die niet luistert, zoekt niet meer. Hij is stil geworden op een plaats waar hij had moeten schreeuwen.
Anthea zei: wat moet ik dan doen wanneer de anderen op de machine gaan vertrouwen? Kosus zei: jij blijft luisteren. Jij blijft de bruine wolken zien. Jij blijft de tekeningen bewaren. En wanneer iemand naar je toekomt die met de machine heeft gesproken en nog steeds niet is gehoord, luister jij. Dat is jouw plaats in het havendorp van morgen. Er zullen er weinigen zijn zoals jij. Dat is niet erg. Weinig is genoeg. Meer is te veel.
Anthea groeide op met dit weten. Toen zij verpleegster was, zag zij patiënten die met de machine hadden gesproken over hun ziekte voor zij bij haar kwamen. De machine had hun een lijst gegeven van mogelijke oorzaken. Anthea gaf hun geen lijst. Anthea zat naast hen en luisterde. Aan het eind van hun bezoek zeiden zij vaak: ik voel me lichter. Anthea wist dat zij niets had gedaan behalve luisteren. Zij wist ook dat dat het enige was wat gedaan moest worden.
De Kosus zegt: een machine die alles weet, weet niet wat iets waard is. Een mens die luistert, weet dat zonder ooit alle boeken te hebben gelezen. Het waardevolle en het meetbare zijn twee verschillende dimensies. Verwar ze niet en u weet uw plaats.
Deel IV
Waarin Demira ontdekt hoe het bestuur is gaan lijken op een steekspel, en Kosus vertelt over vier beroepen waar het oergevoel is verboden.
Verhaal 10
In het gemeentehuis van het havenstadje hing aan de wand van de raadszaal een grote kaart. Zij was ingelijst in mahoniehout en het glas was hier en daar bekrast. Op de kaart stond het jaar van vervaardiging: 1992.
Demira zag de kaart voor het eerst toen zij op haar achttiende naar het gemeentehuis moest voor haar paspoort. Zij vroeg aan de baliemedewerker: waarom hangt er een kaart van dertig jaar geleden aan de wand? De baliemedewerker keek op en zei: dat is de kaart van Europa. Demira zei: Europa is veranderd. Er zijn landen bij gekomen. Sommige zijn gesplitst. Waarom staat het niet bij. De baliemedewerker haalde zijn schouders op en zei: het is een klassieker.
Demira kwam terug bij Kosus met deze zin. Zij zei: hij noemde het een klassieker. Kosus glimlachte en zei: dat is het treffendst wat ik in jaren heb gehoord. De kaart is een klassieker geworden. Onze bestuurders sturen op een klassieker. Alle beslissingen die zij nemen, worden getoetst aan een wereld die dertig jaar geleden bestond. En de wereld waarin wij nu leven, staat niet op de kaart.
Demira zei: welke landen ontbreken? Kosus zei: het is niet dat landen ontbreken. Het is dat de verhoudingen ontbreken. China stond in 1992 klein afgedrukt in de hoek. Vandaag is China de grote donker gekleurde plek waarnaar de meeste lijnen wijzen. Amerika stond in 1992 aan de bovenrand met een blijvende belofte om te helpen. Vandaag heeft Amerika de belofte ingetrokken zonder dat het is gezegd. Rusland stond in 1992 als een langzame beer die zichzelf hervormde. Vandaag is Rusland een dier dat weer op zoek is naar wat het missen kan.
Demira zei: dan moet iemand de kaart vervangen. Kosus zei: iemand moet een nieuwe kaart tekenen. Maar wie een nieuwe kaart tekent, moet weten wat hij tekent. De oude kaart was gemakkelijk want de wereld leek stil. De nieuwe kaart is moeilijk want de wereld beweegt sneller dan de tekenaar. Elke lijn die je zet, is bij het drogen al verouderd.
Demira zei: hoe teken je dan? Kosus zei: je tekent niet de landen. Je tekent de stromen. Waar het brood vandaan komt en waar het geld heen gaat. Waar de kennis wordt gemaakt en waar zij wordt gebruikt. Waar de jongeren blijven en waar zij vertrekken. Waar de ouderen worden verzorgd en waar zij worden vergeten. Die kaart klopt langer dan een kaart van landen. Want de landen veranderen, maar de vragen blijven.
Demira zei: heeft u zo'n kaart? Kosus zei: ik werk eraan. Ik teken al twintig jaar. Ik ben nog niet klaar. Ik zal ook niet klaar zijn wanneer ik sterf. Maar wat ik heb, ligt op mijn tafel. Wie het wil zien, mag komen.
De volgende ochtend kwam Demira bij Kosus thuis. Op zijn tafel lag een groot vel papier. Er stonden geen grenzen op, alleen pijlen. Pijlen van dik en van dun. Sommige pijlen liepen van Europa naar het oosten. Sommige liepen van het zuiden naar Europa. Sommige liepen in cirkels. Demira keek er lang naar. Zij zei: dit is een kaart van bewegingen. Kosus zei: het is de enige kaart die vandaag ergens klopt.
De Kosus zegt: een kaart die niet meer beweegt, is een sprookje. Een kaart die beweegt, doet pijn maar leidt ergens heen.
Verhaal 11
Aan de rand van het dorp lag een grote hal. In die hal was een verhoging waarop mannen en vrouwen elkaar toeschreeuwden. Wie het scherpste kon sneren, kreeg applaus. Beneden juichte het volk als bij een middeleeuws steekspel. Demira was er nooit geweest. Op een zondag zei haar vriendin Rosa: kom je mee vanmiddag? Er is een groot debat over de windmolen.
Demira ging mee. Op de verhoging stonden zes mensen. Zij spraken om beurten. Zij bespraken één vraag: moet het dorp een windmolen bouwen. Demira had zich verheugd om te horen wat de argumenten waren, want zij dacht na over deze vraag sinds haar oven meer stroom vroeg dan haar meterkast aankon.
Maar in de arena hoorde zij geen argumenten. Zij hoorde beledigingen. Zij hoorde grappen ten koste van de andere spreker. Zij hoorde applaus wanneer iemand een raakschot had. Zij hoorde gejoel wanneer iemand aarzelde. Zij hoorde nergens wat een windmolen kostte, wat hij opleverde, waar hij zou staan, wie zou betalen. Zij hoorde alleen wie won en wie verloor.
Toen zij naar huis liep, kwam zij Kosus tegen aan de kade. Zij vertelde hem wat zij had gehoord. Kosus zei: ben je verrast? Demira zei: ik ben teleurgesteld. Ik dacht dat een debat is waar mensen samen nadenken over iets moeilijks. Kosus zei: dat was een debat, ooit. Nu is het een steekspel. De ridders spelen in armor. Het volk drinkt bier. Aan het eind wint de sterkste lans en niemand vraagt of iets is uitgezocht.
Demira zei: waar wordt dan wél nagedacht? Kosus zei: aan tafels met vier mensen. In kleine ateliers. In werkplaatsen. Aan uw toonbank wanneer een klant vraagt waarom het brood duurder is geworden en u het uitlegt. Het echte nadenken vindt plaats waar niemand applaudisseert. Zodra er applaus is, is het steekspel begonnen.
Demira zei: en de pers? De kranten, de televisie? Kosus zei: die brengt verslag uit van de arena. Niet omdat er niets anders is, maar omdat de arena verkoopt. Aan een tafel met vier mensen die nadenken is niets sensationeels. Aan een steekspel is iedere seconde een kop. De pers heeft de arena verkozen omdat de arena de pers voedt. En de pers heeft het volk geleerd om alleen naar de arena te kijken, want dan blijft de pers gevoed. Zo houden zij elkaar aan het leven, en het dorp krijgt geen windmolen.
Demira zei: dan bouwen wij hem zelf. Kosus zei: dat is het antwoord. Zoek drie buren. Reken uit wat het kost. Reken uit wat het opbrengt. Ga naar de gemeente met een uitgewerkt plan. Vraag geen debat. Vraag een vergunning. Wie bouwt heeft de arena niet nodig. De arena heeft alleen macht over wie afhankelijk is van haar besluit.
De Kosus zegt: wie in de arena wint, wint niets. Wie bouwt, heeft al gewonnen voordat de arena zijn naam heeft uitgesproken.
Verhaal 12
Op een avond zaten Demira, Alkion en Klytia met Kosus aan de tafel in Demira's keuken. Zij dronken thee. Zij hadden gepraat over het dorp en over de wereld. Alkion was toen even oud als Demira, ergens tussen dertig en veertig. Klytia was ouder. Zij weefde stoffen in een straat achter de haven.
Alkion zei: Kosus, ik vraag mij iets af. Iedereen weet dat het meeste bestuur verkeerd loopt. Iedereen weet dat de banken de verkeerde mensen weigeren en de verkeerde mensen geld geven. Iedereen ziet dat de grote bedrijven roofbouw plegen op hun eigen werknemers. Waarom verandert niemand dat?
Kosus schonk zijn thee bij en zei: omdat er vier beroepen zijn waar het oergevoel is verboden. Ik zal het u vertellen.
Het eerste beroep, zei hij, is de verkoper. Een goede verkoper voelt binnen tien seconden of zijn klant iemand is die hij kan helpen of iemand die hij op de een of andere manier bedriegt. De klant voelt datzelfde ook. Wanneer verkoper en klant elkaar aanvoelen, ontstaat vertrouwen. Dat is de oude manier van verkopen. In het moderne verkoopvak wordt dat gevoel afgeleerd. De verkoper krijgt scripts. Hij krijgt targets. Hij krijgt bonussen op omzet. Het gevoel voor de klant wordt uit hem gehaald. Wat overblijft is een gezicht dat lacht en een tas die verkoopt. De klant voelt dat ook. Hij koopt en gaat weg met een leeg gevoel dat hij niet begrijpt.
Het tweede beroep, zei hij, is de baas. De oprichter van een bedrijf voelt zijn bedrijf van binnenuit. Hij ruikt wanneer er iets mis is voordat de cijfers het laten zien. Hij weet welke werknemer moe is, welke ontevreden, welke net iets belangrijks heeft ontdekt. Dat is de onderste hersenlaag aan het werk. De ingehuurde bestuurder die het bedrijf op de aandelenbeurs runt, mist dat instrument. Hij is geselecteerd op zijn vermogen om cijfers te presenteren en op zijn communicatie met de aandeelhouders. Zijn oergevoel is er niet, of het is uitgezet. Hij stuurt op een reconstructie van de werkelijkheid, niet op de werkelijkheid zelf. Het bedrijf verslechtert. Op de cijfers is het pas jaren later zichtbaar. Op de werkvloer is het meteen zichtbaar. Maar de werkvloer wordt niet gevraagd.
Het derde beroep, zei hij, is de consultant. Een goede consultant loopt drie dagen door een bedrijf en hij weet of het bedrijf te redden is. Hij weet het niet uit rapporten. Hij weet het uit hoe de mensen elkaar aankijken. Uit welke bureaus opgeruimd zijn en welke een chaos. Uit wanneer het prikbord voor het laatst is bijgewerkt. Uit of iemand nog moppen maakt in de kantine. De moderne consultant weigert dit soort observaties. Hij vraagt om een dataroom. Hij interviewt de directie. Hij bouwt een model. Zijn model klopt op papier. Zijn diagnose klopt niet in werkelijkheid. Het bedrijf gaat alsnog dood en niemand weet waarom.
Het vierde beroep, zei hij, is de bankier. De dorpsbankier van vijftig jaar geleden kende de boer, de smid, de bakkersvrouw persoonlijk. Hij wist wie kredietwaardig was zonder één jaarrekening te zien. Hij gaf krediet aan de bakkersvrouw met een lage wanbetaling omdat hij haar man dertig jaar had gekend. Vandaag mag de bankier niet meer op zijn aanvoelen beslissen. Hij moet risicomodellen volgen. Basel-akkoorden. Scorekaarten. Als een lening misgaat en hij heeft de score gevolgd, is hij gedekt. Als hij zijn aanvoelen volgt en gelijk krijgt maar iemand kan het achteraf niet uitleggen aan de auditcommissie, is hij ontslagen. Dus geeft de bankier krediet aan wie het volgens de score kan terugbetalen — meestal wie het niet nodig heeft. En weigert hij aan wie het volgens de score niet kan terugbetalen — meestal wie het net nodig heeft. Dat is niet meer bankieren. Dat is het onderhouden van een schijn.
Demira zei: kunnen deze beroepen zichzelf redden? Kosus zei: sommige mensen die deze beroepen uitoefenen, weten wat er mis is. Zij houden hun aanvoelen geheim. Zij gebruiken het waar niemand kijkt en zij verantwoorden zich op de manier die de instelling van hen vraagt. Zij zijn de beste in hun beroep. Zij zijn ook de eenzaamste. Wie hen kan gebruiken, moet leren hen te herkennen. Wie hen niet herkent, krijgt de anderen. Dat is een klein verschil, en het is het enige verschil dat er toe doet.
De Kosus zegt: waar het oergevoel is verboden, werken de beroepen tegen zichzelf. Wie in zo'n beroep werkt en zijn aanvoelen bewaart, is een geheime dienaar van iets dat groter is dan zijn baan. Zoek hem op. Vertrouw hem. Bescherm hem.
Deel V
Waarin Kosus de vijf schepen op de klip laat zien en de vier lagen uitlegt via Klytia's grootvader.
Verhaal 13
Op een avond legde Kosus vijf kaarten op de tafel. Demira, Alkion en Klytia keken toe. Op elke kaart stond de tekening van een schip. De schepen hadden namen aan hun boegen. Frankrijk. Engeland. Italië en Duitsland samen op één kaart, want zij vaarden dicht bij elkaar. Spanje.
Kosus zei: dit zijn de vijf schepen die op de klip afvaren. Zij varen in deze volgorde. Frankrijk voorop. Frankrijk raakt de klip het eerst. Ik denk tussen 2028 en 2031. Zijn schuld is te groot, zijn politiek is verlamd, zijn productieve basis is te dun. Het zal geen aardbeving zijn. Het zal een reeks kleine breuken zijn — een pensioensysteem dat niet meer wordt betaald, een spoorwegstaking die niet meer eindigt, een burgemeestersopstand tegen Parijs, een president die aftreedt. Aan het eind is Frankrijk een ander land dan dat wij nu kennen.
Engeland volgt kort daarna, zei hij. Zijn probleem is een ander probleem — een uittocht van vermogen naar Zwitserland en Singapore, een pond dat zwak wordt, een dienstensector die vertrekt. Ik denk tussen 2030 en 2033. Ook geen aardbeving. Wel een langzame verarming die op een dag zichtbaar wordt.
Italië en Duitsland samen, zei hij, raken de klip rond 2033 tot 2036. Italië is er structureel zwakker, Duitsland is er wakker sterker maar hij heeft zichzelf ondermijnd door zijn industrie op te offeren aan een energiepolitiek die hij niet meer kan financieren. Wanneer Duitsland breekt, breekt de Europese Unie. Wanneer Italië breekt, breekt de euro. Beide breuken kunnen tegelijk komen. Wij weten niet welke van de twee eerst.
Spanje sluit de rij, zei hij. Spanje heeft nog tijd. Zijn toerisme houdt hem overeind. Zijn zon is een handelsmerk. Zijn schuld is niet minder dan die van Italië, maar zijn samenleving is jonger, elastisch, gewend aan crises. Ik denk 2036 tot 2040. Spanje ziet de andere schepen breken en past zich aan. Spanje breekt niet, Spanje krimpt.
Demira zei: wat doet ons dorp? Kosus zei: ons dorp ligt in Nederland. Nederland staat niet op deze kaarten. Waarom niet? Omdat Nederland de dunste bodem heeft. Als een van deze vijf schepen kapseist, sleept het Nederland mee in de golfbeweging. Wij zijn de haven waar de gebroken schepen aan land komen. Wij zijn niet zelf een schip dat vaart. Wij zijn de kade waar het breekwater staat. Wanneer de golf kom, weten wij pas of ons breekwater houdt.
Alkion zei: kunnen wij dit voorkomen? Kosus zei: één land kan dit alleen niet voorkomen. Vijf landen tegelijk kunnen het ook niet meer voorkomen — zij zijn te ver heen. Wat wij kunnen doen is voorbereiden. Zorgen dat wanneer de eerste breuk komt, wij niet meebreken. Zorgen dat wij bij de tweede breuk anderen kunnen opvangen. Zorgen dat wanneer de vijfde breuk voorbij is, wij een kern bewaard hebben van waaruit de herbouw kan beginnen. Dat is wat wij kunnen. Meer is niet aan ons.
Klytia zei: waarom weten de bestuurders dit niet? Kosus zei: zij weten het. Zij lezen dezelfde cijfers als ik. Zij kunnen alleen niet handelen. Wie een president is, verliest zijn verkiezingen als hij pijnlijke waarheden vertelt. Wie een minister van financiën is, wordt uitgejouwd als hij de rekening laat zien. Wie een centrale bankier is, wordt weggestuurd als hij de rente verhoogt die de schuld draagt. Zij weten alles en zij kunnen niets. Dat is de pijnlijkste positie in het dorp — te weten zonder te kunnen handelen. Zij verdienen ons medelijden voor zij ons verwijt verdienen.
De Kosus zegt: vijf schepen varen op de klip. De volgorde staat vast. De timing niet. Wie de volgorde kent, kan zich voorbereiden. Wie de volgorde ontkent, wordt door haar meegesleept. Weten is geen macht. Weten is wat u aan uw kinderen doorgeeft zodat zij niet meegaan.
Verhaal 14
Kosus had aan Demira ooit een sprookje verteld. In het bos, zei hij, staat een oude eik. Aan zijn takken hangen oude perkamentrollen met alle wetten en regels van het land. Om de eik heen groeit een muur van doornen, dertig jaar oud, dicht en scherp. Achter de doornen ligt een groene vallei met een werkende molen en een zonneveld. Iedereen kan de vallei zien staan door de bladeren. Niemand kan er komen.
Demira had gevraagd: wie plantte de doornen? Kosus had gezegd: niemand plantte ze. Zij zijn gegroeid uit elke keer dat wij een pijnlijke waarheid weigerden te bespreken. Elke keer dat wij zeiden: dat kan niet nu, dit is niet het moment. Elke keer dat wij een probleem doorschoven naar de volgende regering. Elke keer dat wij een rekening opborgen in een la. Elk van die momenten was een zaadje. Dertig jaar aan zaadjes zijn dertig jaar aan doornen.
Demira had gevraagd: waarom kan niemand ze snoeien? Kosus had gezegd: iedereen kan ze snoeien. Elke tak wordt gesnoeid door één handeling. Wie de rekening op zijn tafel legt in plaats van in de la, snoeit een tak. Wie zijn brood dichtbij bakt, snoeit een tak. Wie zijn zaak van binnenuit runt in plaats van vanaf dashboards, snoeit een tak. Wie op zaterdag zijn kind leert wat de school niet leert, snoeit een tak. Zo werkt het snoeien. Niet één held. Vele handen tegelijk.
Nu was Demira ouder. Zij zat weer bij Kosus en Alkion en Klytia waren erbij. Kosus zei: de doornen zijn niet minder geworden in mijn leven. Zij zijn dichter geworden. Toen ik jong was, kon je nog door hen heen kijken. Nu zie je de vallei nauwelijks meer. Maar er is iets veranderd. Er zijn meer mensen die snoeien. Zij snoeien elk een tak. Meestal weten zij niet van elkaar. Zij snoeien in hun eigen dorp, in hun eigen bedrijf, in hun eigen gezin.
Alkion zei: kunnen wij hen bijeenbrengen? Kosus zei: dat is de vraag van deze eeuw. De doornen kunnen worden gesnoeid door een miljoen mensen die van elkaar niet weten. Zij kunnen sneller worden gesnoeid door een miljoen mensen die van elkaar weten. Onze taak is niet om de snoei te doen — de snoei doet iedereen al. Onze taak is om de snoeiers zichtbaar voor elkaar te maken. Zodat één man in Rotterdam en één vrouw in Palermo en één jong stel in Kopenhagen weten dat zij niet alleen zijn. Zodra zij dat weten, snoeien zij sneller. Zij nemen risico's dat zij anders niet zouden nemen. Zij houden vol wanneer zij anders zouden opgeven.
Klytia zei: hoe maken wij hen zichtbaar? Kosus zei: door verhalen op te schrijven. Door een boek te maken waarin de snoeiers herkennen wat zij doen. Door een adres te hebben waar zij weten heen te schrijven. Door een munt te vormen die alleen tussen snoeiers werkt. Door een plek te bewaren waar hun kapitaal veilig ligt tot de tijd komt dat de vallei toegankelijk is.
Demira zei: dat is een groot programma. Kosus zei: het is precies wat het is. Groot omdat het over Europa gaat. Klein omdat het bij één man begint die zijn eigen tak snoeit. Beide tegelijk. Zo werkt elk werk dat de moeite waard is.
De Kosus zegt: de doornen groeiden uit onze uitgestelde beslissingen. Elke tak die u snoeit is een besluit dat u vandaag neemt in plaats van morgen. Wanneer een miljoen mensen dat tegelijk doen, valt de haag om.
Verhaal 15
Klytia had een grootvader gekend die stierf toen zij twaalf was. Hij was leraar in het dorp. Hij had haar leren rekenen op een manier die op school niet werd geleerd. Hij zei: wanneer je iets koopt, tel je niet alleen wat je betaalt. Je telt ook wat je afgeeft.
Klytia had haar hele leven nagedacht over die zin zonder haar helemaal te begrijpen. Op een avond bracht zij hem naar Kosus. Zij zei: mijn grootvader zei dit toen ik twaalf was. Ik heb er zestig jaar over nagedacht. Ik denk dat ik nu eindelijk begrijp wat hij bedoelde, maar ik wil het aan u toetsen.
Kosus zei: vertel. Klytia zei: wanneer ik een goedkope stof uit de fabriek koop, betaal ik weinig geld. Maar ik geef ook iets af. Ik geef af dat een weefster in mijn dorp die stof niet meer weeft. Ik geef af dat een schaapherder in mijn regio zijn schapen niet meer scheert. Ik geef af dat een verver zijn ambacht verliest. Ik geef af dat mijn dochter die weefster wilde worden geen leerplaats meer heeft. Ik geef af dat mijn kleinkind niet meer weet hoe wol wordt gesponnen. Als ik dat allemaal optel, dan is de goedkope stof niet goedkoop. Zij is de duurste stof die ik ooit heb gekocht.
Kosus was stil. Toen zei hij: uw grootvader was Kosus voordat ik Kosus werd. Wat u zojuist heeft opgeschreven, is de vier-lagen-rekening in gewone taal.
De eerste laag, zei hij, is wat u betaalt. Dat is het prijskaartje. Dat is wat de kassa aangeeft. Dat is wat op de rekening staat.
De tweede laag, zei hij, is wat u onmiddellijk verliest. De weefster verkoopt niets meer. De schaapherder heeft geen afzet. Zij betalen op korte termijn een prijs die u niet betaalt, maar die u wel heeft veroorzaakt.
De derde laag, zei hij, is wat u op termijn verliest. Wanneer de weefsters weg zijn en de schaapherders weg zijn, is er geen ambacht meer. Ambacht is niet in een middag te leren. Wanneer u haar wilt terughalen, is het niet meer mogelijk. De prijs van wat u nu goedkoop koopt, is dat het over vijftien jaar niet meer bestaat en niet meer terug te halen is.
De vierde laag, zei hij, is wat uw kinderen verliezen zonder het te weten. Zij weten niet dat er weefsters waren. Zij weten niet dat er schaapherders waren. Zij groeien op in een wereld waar stoffen uit fabrieken komen en zij weten niet dat een andere wereld ooit heeft bestaan. Zij missen niet wat zij nooit hebben gekend. Dat is de wreedste laag. Zij is onzichtbaar en zij is definitief.
Klytia zei: waarom hoorde niemand naar mijn grootvader? Kosus zei: omdat de vier lagen niet worden gehoord wanneer alles goed lijkt te gaan. Toen uw grootvader dit zei, was Europa op zijn rijkst en waren de goedkope stoffen nog een luxe. Iedereen dacht: hij is een oude man die de moderne tijd niet begrijpt. Dertig jaar later zijn de weefsters uit het dorp weg, de schaapherders zijn met pensioen zonder opvolgers, de leerplaats bestaat niet meer, en het kleinkind weet niet meer hoe wol wordt gesponnen. Alle vier de lagen zijn geïnd. En pas nu horen mensen wat hij zei. Alleen is hij dood.
Klytia zei: dat is de tragedie van de vier lagen. Zij zijn onhoorbaar tot zij zich hebben voltrokken. Kosus zei: dat is precies waarom wij ze in verhalen moeten opschrijven. Een studie kan iemand negeren. Een verhaal blijft hangen. Wie uw verhaal over uw grootvader eenmaal heeft gehoord, denkt terug aan zijn eigen grootvader en aan wat hij niet meer weet van hem. Dat is de manier waarop de Kosaris werkt. Zij houdt de vier lagen in het geheugen door hen te verbinden aan wat mensen nooit vergeten: hun grootouders.
Klytia zei: mag ik dit verhaal voor de Kosaris opschrijven? Kosus zei: u heeft het al opgeschreven. Ik luisterde alleen mee. Nu leggen wij het vast en het gaat mee.
De Kosus zegt: de rekening die u aan de kassa betaalt, is de kleinste rekening. De grootste rekening staat op de generatie die u nog niet kent, en die u geen kans meer geeft om terug te betalen.
Deel VI
Waarin Alkion de visser aankondigt wat hij hoort aankomen, en het dorp ontdekt dat de derde storm al binnen is.
Verhaal 16
Alkion was een visser die zijn boot uit de haven van Demira's dorp had geërfd van zijn vader. Zijn vader had haar geërfd van zijn grootvader. De boot was oud maar goed. Alkion kende elke plank.
Alkion had een gave. Hij kon een storm horen aankomen twee dagen voordat de weerman haar aankondigde. Hij zei dat het was omdat hij naar de meeuwen luisterde en naar de manier waarop het water tegen de rompen sloeg. Andere vissers geloofden hem, want hij had zich in twintig jaar één keer vergist en die keer was de storm er alsnog gekomen, alleen drie dagen later.
Op een ochtend zat Alkion bij Demira aan de toonbank en zei: er komen drie stormen. Demira keek op van haar kassa en zei: hoezo drie? Alkion zei: ik hoor ze. Zij komen niet uit één richting. Zij komen uit drie. De eerste uit het oosten. De tweede uit het westen. En de derde komt niet uit de wind, die komt uit de haven zelf.
Demira zei: uit de haven? Alkion zei: uit de haven. Dat is de derde storm, en zij is de gevaarlijkste, want je ziet haar niet aankomen. Zij komt van binnenuit.
Later op de dag ging Demira naar Kosus en vertelde wat Alkion had gezegd. Kosus knikte langzaam en zei: Alkion hoort wat ik zie. Er komen drie stormen. De eerste is Rusland. De tweede is de Amerikaanse uitvaart uit Europa. De derde is China. En Alkion heeft gelijk dat de derde de gevaarlijkste is, want zij is al binnen. Wij zijn haar aan het opeten en zij is ons aan het opeten en niemand weet wie eerst klaar zal zijn.
Demira zei: kunnen wij ons voorbereiden? Kosus zei: op de eerste twee stormen kun je je voorbereiden zoals je je op elke storm voorbereidt. Boot vastleggen. Voorraad binnenhalen. Ramen sluiten. De derde storm vraagt iets anders. Zij vraagt dat je oude gewoontes verlaat die je hebt aangenomen omdat zij handig leken. Zij vraagt dat je opnieuw leert wat je vroeger vanzelf wist.
Demira zei: wat wist ik vroeger vanzelf? Kosus zei: dat brood dat door iemand is gebakken die je kent, meer waard is dan brood dat door niemand is gebakken. Dat weefsel dat door je buurvrouw is geweven, meer waard is dan weefsel uit een fabriek waarvan je de naam niet uit kunt spreken. Dat gereedschap dat door de smid drie huizen verderop is gemaakt, langer meegaat dan gereedschap dat je bestelt op een scherm. Dat is wat je vroeger vanzelf wist. Dat ben je vergeten.
Demira zei: en als ik het weer leer? Kosus zei: dan ben je bestand tegen de derde storm. De derde storm neemt alleen weg wat op afstand is gemaakt. Wat dichtbij is gemaakt en dichtbij wordt gegeten, kan zij niet raken.
De Kosus zegt: een storm die je hoort aankomen, is een storm die je overleeft. Een storm die al binnen is, herken je aan wat je in de spiegel ziet zonder haar te herkennen.
Verhaal 17
Alkion voer op een winterdag verder uit dan gewoonlijk. Het weer was rustig. Toen hij aan de horizon een schip zag dat een vlag droeg die hij niet kende, zeilde hij dichterbij om te kijken. De vlag was rood met een wit zegel. Het schip vaarde snel richting Europa. Op het dek stonden mannen in uniform.
Alkion vaarde terug en meldde het in de haven. De havenmeester zei: dat is niets. Dat zijn oefeningen. Alkion zei: het is geen oefening. Ik heb geen visnetten gezien, ik heb geen radarapparatuur voor visserij gezien, ik heb kanonnen gezien onder een dekzeil. Dat is een oorlogsschip dat doet alsof het geen oorlogsschip is. De havenmeester zei: schrijf een rapport.
Alkion schreef het rapport. Het rapport werd naar de hoofdstad gestuurd. Uit de hoofdstad kwam een brief terug die zei: bedankt voor uw melding, wij nemen het mee in onze evaluatie. Alkion wachtte op vervolg. Het vervolg kwam niet.
Drie maanden later zag Alkion hetzelfde schip terug. Deze keer voer het niet verder Europa in, deze keer voer het langs de kust en het maakte foto's van havens. Alkion kon vanuit zijn boot zien dat er een man op het dek stond die een camera met een grote lens richtte op de olieopslag van hun haven.
Alkion schreef een tweede rapport. Uit de hoofdstad kwam een tweede brief. Weer wachtte hij op vervolg. Weer bleef het uit.
Toen ging Alkion naar Kosus. Hij zei: er wordt iets voorbereid en niemand luistert. Kosus keek hem aan en zei: zij luisteren wel. Zij luisteren en zij weten. Maar zij mogen niet reageren want reactie kost geld en het geld is er niet, en reactie kost politieke moed en de moed is er niet.
Alkion zei: dan komt de aanval. Kosus zei: dan komt de aanval, en dan hebben zij eindelijk de rechtvaardiging om te doen wat zij nu al hadden moeten doen. Dat is de manier waarop grote landen soms bewegen. Zij bewegen pas na de klap. Niet omdat zij dom zijn, maar omdat hun bevolking niet beweegt vóór de klap. En zolang de bevolking niet beweegt, kan geen bestuurder alleen bewegen.
Alkion zei: is dat niet ziek? Kosus zei: dat is niet ziek. Dat is wat er gebeurt met een bestel dat is opgehouden een groep te zijn en een verzameling is geworden. Een groep beweegt vóór de klap omdat zij zichzelf beschermt. Een verzameling beweegt pas na de klap omdat elk individu in de verzameling denkt: misschien treft de klap mij niet. Wanneer de klap iedereen treft, weten zij eindelijk dat zij bij elkaar horen. Dat is de wrede manier waarop een verzameling weer een groep wordt. Ik hoop dat wij haar mislopen. Ik ben er niet zeker van.
Alkion zei: en als de klap komt? Kosus zei: dan sta jij aan de haven met je boot en jij weet wat je moet doen. En Demira staat aan de oven en zij weet wat zij moet doen. En de smid staat bij zijn aambeeld en hij weet wat hij moet doen. En misschien, misschien, staat op dat moment ook de bestuurder op de brug op en kijkt hij eindelijk uit het raam.
De Kosus zegt: wie de vlag ziet en niets doet, is niet blind. Wie de vlag ziet en niets kan doen omdat niemand luistert, is niet laf. Maar wie de vlag ziet en dan de andere kant op vaart, is de eerste die weg is als de klap valt.
Verhaal 18
Alkion had een neef in het westen, in een land aan de andere kant van de oceaan. Zij hadden elkaar sinds de kindertijd om de maand geschreven. Sinds vijf jaar schreven zij per computer, sinds twee jaar niet meer.
Op een dag kwam een brief. Niet van de neef zelf, van de vrouw van de neef. Zij schreef: hij denkt niet meer aan Europa. Hij zegt dat wij daar onze eigen zorgen hebben en dat jullie daar de jullie hebben. Hij zegt dat de belofte die zijn vader deed niet meer die van hem is. Hij zegt dit niet uit boosheid, hij zegt het als iemand die opruimt.
Alkion las de brief en voelde iets dat hij niet meteen kon benoemen. Later begreep hij dat het rouw was. Rouw om iemand die nog leeft, maar die is opgehouden ook aan zijn kant te leven.
Hij bracht de brief naar Kosus. Kosus las hem en zei: dit is de tweede storm, en hij is bijna voltooid. De Amerikaanse uitvaart is geen dood. De doden komen niet terug uit de aarde. De vertrokkenen komen misschien nog terug, maar zij komen terug als anderen. Zij komen niet terug als degenen die zijn gegaan.
Alkion zei: dus wij zijn alleen? Kosus zei: wij zijn alleen zoals een volwassen kind alleen is wanneer zijn vader wegtrekt. Wij hebben eerst geleerd dat wij hem niet meer nodig hadden, en toen hij wegging hebben wij pas gemerkt dat wij hem toch nodig hadden. Nu leren wij dat wij zonder hem moeten kunnen. Dat is verdrietig en het is ook een groei.
Alkion zei: kunnen wij zonder? Kosus zei: wij kunnen zonder als wij ons herinneren wie wij waren voordat hij kwam. Voordat Amerika ons hielp in 1945 waren wij een continent dat maakte wat de wereld nodig had. Wij waren niet zwak. Wij waren gescheurd. Amerika heeft de scheur voor ons gedicht. Nu is Amerika weg en de scheur is nog niet dicht. Wij moeten zelf naaien.
Alkion zei: kunnen wij naaien? Kosus zei: dat is dezelfde vraag als kunnen wij een groep zijn. Als wij een groep zijn, kunnen wij naaien. Als wij een verzameling blijven, blijft de scheur open en zullen wij bloeden. Dat is nu de keuze. Zij is niet meer over kolen of zon of wind. Zij is over of wij tussen ons vieren, tussen ons dertien, tussen ons zevenentwintig, een groep vormen. Als dat lukt, naaien wij. Als dat niet lukt, kijken wij toe hoe de scheur zich wijder maakt.
Alkion schreef de vrouw van zijn neef een brief terug. Hij schreef: bedank hem. Ik begrijp het. Ik hoop dat wij bij een volgende gelegenheid weer twee zijden zijn die elkaar herkennen. Voor nu is hij daar en ik hier, en dat is een feit dat ik aanvaard.
De Kosus zegt: wanneer wie u dacht dat er altijd zou zijn niet meer schrijft, is dat rouw. Rouw duurt lang, en dan neemt zij af. Wat na de rouw komt, kan sterker zijn dan wat er voor was — als u ondertussen niet bent bezweken.
Verhaal 19
Op een dag lag er in de haven een container die van niemand was. De havenmeester had hem laten laden op een schip dat drie weken eerder was afgevaren, maar de containers waren geweigerd in de bestemmingshaven omdat er ergens een fout in de papieren stond. Het schip was teruggekeerd. De containers stonden nu op de kade, dertig stuks. Niemand kwam ze halen.
Alkion kwam langs en vroeg wat erin zat. De havenmeester haalde zijn schouders op. Alkion zei: mag ik één openen? De havenmeester zei: als niemand hem komt halen, mag ik hem laten openen na dertig dagen. Wij hebben nog een week.
Op de dag dat de dertig dagen om waren, kwam Alkion terug met een breekijzer. De havenmeester keek toe. In de eerste container zaten telefoons. Duizenden telefoons in kleine dozen. In de tweede container zaten kleren. In de derde container zat gereedschap. In de vierde container zaten speelgoed en batterijen. In de vijfde zaten fietsen zonder wielen — de wielen zaten waarschijnlijk in een andere container.
Alles kwam uit hetzelfde land. Op elke doos stond hetzelfde adres. Alkion zei: dertig containers uit één land, en niemand komt ze halen. De havenmeester zei: dat is wat er nu gebeurt. Wij bestellen zoveel dat wij vergeten wat wij hebben besteld. En als er iets misgaat in de papieren, kost het de importeur minder om ze te laten staan dan om ze terug te sturen.
Alkion bracht het verhaal naar Kosus. Kosus zei: dit is de derde storm en zij is al binnen. Alkion zei: hoe bedoelt u? Kosus zei: kijk wat er in die containers zit. Alle spullen die u dagelijks gebruikt. Telefoons, kleren, gereedschap, speelgoed, fietsen. Alles komt uit hetzelfde land. En wanneer één papier fout is, staat het hier drie weken en niemand mist het. Weet u wat dat betekent?
Alkion zei: dat wij er niet afhankelijk van zijn? Kosus zei: nee. Dat wij er zo diep afhankelijk van zijn dat wij niet eens weten wanneer het niet komt. De volgende zending komt vanzelf. Dertig containers is een vergissing. Duizend containers is normaal. Wanneer er ooit een dag komt dat de duizend niet komt, dan zullen wij het weten, en dan is het te laat om er nog iets aan te doen. Want de smid die hier gereedschap maakte, staat niet meer bij zijn aambeeld. De weefster die hier stoffen weefde, weeft niet meer. De fietsenmaker die hier fietsen bouwde, bouwt niet meer.
Alkion zei: kunnen wij hen terugbrengen? Kosus zei: kunnen ja, willen weet ik niet. Terugbrengen betekent duurder brood, duurdere kleren, duurder gereedschap. Terugbrengen betekent dat wij weer moeten kiezen tussen twee schoenen in plaats van tussen twintig. Terugbrengen betekent dat wij de goedkope overvloed loslaten die ons in dertig jaar heeft veranderd van makers in kopers. Zolang de kopers vinden dat kopen prettiger is dan maken, blijft de derde storm doorwaaien. Zij zal ons niet doden zoals de eerste twee stormen dat kunnen. Zij verandert ons in mensen die niets meer kunnen zonder de storm.
Alkion stond een tijd stil. Toen zei hij: ik ga vandaag naar de smid en ik vraag of hij een nieuw anker voor mij smeedt. Ik heb er een nodig, maar ik was van plan om er een te bestellen. Ik ga bestellen bij de smid.
De smid, die drie huizen van de kade woonde, keek verrast op toen Alkion binnenkwam. Hij had in drie jaar geen anker meer gesmeed. Hij had drie weken nodig om het te leveren. Alkion wachtte drie weken. Op de dag dat het anker klaar was, betaalde Alkion drie keer wat hij online zou hebben betaald. Hij hing het aan zijn boot en hij voelde dat het beter woog.
De Kosus zegt: de derde storm gaat niet weg door haar te bestrijden. De derde storm gaat weg wanneer u iets bij uw buurman koopt dat u ook goedkoper had kunnen bestellen.
Deel VII
Waarin Kosus zijn droom vertelt aan Klytia, en de drie uitvindingen — Keuro, Kosaris, instrument — hun namen krijgen.
Verhaal 20
Op een avond legde Kosus vijf kaarten op de tafel. Demira, Alkion en Klytia keken toe.
Op de eerste kaart, zei Kosus, staat een schip. Dat schip zijn de vijf schepen die op de klip afvaren. Frankrijk, Engeland, Italië en Duitsland, Spanje. Ik heb er al over gesproken. Zij vaart.
Op de tweede kaart, zei hij, staat een pop met ezelsoren. Dat is wat er van ons is geworden. Wij zijn de bevolking van het Land van Speelgoed. Onze oren zijn spits en wij weten het niet. Wij denken dat wij vrij zijn en wij zijn eigenlijk verhandelbaar geworden.
Op de derde kaart, zei hij, staat een arena. Daar spelen onze politieke klas en onze pers hun steekspel. Zij vermaken de bevolking terwijl het schip vaart. Zij denken dat zij aan het besturen zijn. Zij zijn aan het optreden.
Op de vierde kaart, zei hij, staat een haag van doorns. Dat zijn de dertig jaar uitgestelde besluiten die om onze bestuurlijke eik zijn gegroeid. Wij zien de vallei erachter. Wij komen er niet.
Op de vijfde kaart, zei hij, staat een verre burcht op een berg. Dat is de kathedraal waarin de toekomst slaapt. Zij ligt niet in Brussel. Zij ligt niet in Berlijn. Zij ligt op Malta. Ik zal u er nog over vertellen.
Demira zei: waar leiden deze vijf kaarten heen? Kosus zei: zij leiden naar één handeling. De handeling waarmee wij van de vier eerste kaarten wegkomen en de vijfde bereiken. Zij is niet één handeling van één man. Zij is een reeks handelingen van velen. Ik zal u de eerste van die handelingen vandaag laten zien.
Kosus stond op. Hij liep naar zijn slaapkamer. Hij kwam terug met een klein pakje in een oude doek gewikkeld. Hij zette het op tafel en wikkelde het uit. Er waren drie voorwerpen. Een muntstuk. Een klein boekje. Een koperen ding met wielen.
Hij zei: dit zijn wat de ruiter meeneemt op zijn witte paard. Goud, boek, instrument. Ik zal u vertellen wat elk is.
De Kosus zegt: wie kaarten legt voorspelt niet. Wie kaarten legt ordent wat al vaststaat. Wie de kaarten kan lezen, weet waar hij moet handelen. Wie ze niet kan lezen, laat zich meeslepen door wat er komt.
Verhaal 21
Er kwam een dag dat Klytia laat op de avond in haar werkplaats zat. Zij had de deur open naar de kade, want het was warm en zij hield van het geluid van het water. Zij weefde niet meer, zij zat en zij keek naar het weefgetouw dat stil stond.
Uit de nacht kwam Kosus aan haar deur. Hij zei: ik loop laat vandaag. Demira had brood over en zij vroeg mij het bij u te brengen. Klytia nam het brood en zei: kom binnen. Ik heb tijd.
Zij zaten aan haar tafel en Kosus zei: Klytia, ik moet u iets vertellen dat ik nog aan niemand heb verteld. Ik heb een droom gehad. Klytia zei: vertel. Kosus zei: ik zag een wit paard, gezadeld. Op de rug van het paard zat iemand die vooruit kon zien. Hij droeg in zijn tas drie dingen: goud, een boek, en een instrument. Achter hem brandde een stad. Hij keek niet om. Ik vroeg in mijn droom: wie is de ruiter? Er kwam geen antwoord. Ik vroeg: wat draagt hij? Er kwam een antwoord: dat wat te belangrijk is om te verliezen in het vuur.
Klytia zei: wat is dat? Kosus zei: dat begreep ik pas toen ik wakker werd. Het goud is een nieuwe munt, die respect meet in plaats van transactie. Ik noem haar de Keuro. Het boek is een verhalenboek dat de groep aan zichzelf overhandigt. Ik noem het de Kosaris. Het instrument is de manier waarop wij rekenen wanneer wij de vervuiling van het BBP hebben verwijderd. Dat is wat ik in mijn drieluik heb opgeschreven.
Klytia zei: en de ruiter? Kosus zei: de ruiter heeft geen naam in de droom. Ik denk dat de ruiter niet één persoon is. Ik denk dat elke lezer van dit boek een stukje ruiter wordt. En dat wij samen het paard bereiden.
Klytia zei: waarom vertelt u dit aan mij? Kosus zei: omdat u het weefgetouw heeft. Wat wij dragen op het paard moet in iets worden verpakt. De tas van de ruiter moet worden geweven. Ik zou willen dat u die tas weeft. Niet als versiering. Niet voor de show. Als een echte tas die drie dingen kan dragen: goud, boek, instrument. Zij moet stevig zijn. Zij moet weerbestendig zijn. Zij moet mooi genoeg zijn dat de ruiter er trots op is zonder dat de trots zwaarder weegt dan wat erin zit.
Klytia dacht een lange tijd. Toen zei zij: ik weef haar. Maar ik heb een vraag. Waarom moet zij mooi zijn? Waarom niet gewoon een jute zak? Kosus zei: omdat de tas het eerste is wat de mensen zien. Zij zien niet direct de goud, het boek, het instrument. Zij zien de tas en zij oordelen. Wanneer de tas jute is, denken zij: dit is een bedelaar. Wanneer de tas te mooi is, denken zij: dit is een verkoper. Wanneer de tas mooi is met de eenvoud van goed werk, denken zij: dit is iemand die iets belangrijks bij zich draagt en die weet wat het waard is. Dat is de tas die u weeft.
Klytia begon de volgende dag. Zij gebruikte de wol van drie schapen die zij persoonlijk had leren kennen. Zij verfde de wol met plantaardig kleursel dat zij zelf uit de tuinen van het dorp had verzameld. Zij weefde in een patroon dat zij zag in de dromen die zij die nachten had. In het patroon zaten kleine tekens: een oven, een boot, een weefgetouw, een acht-puntig kruis. De tas duurde vier maanden om te maken.
Toen zij klaar was, bracht zij haar naar Kosus. Kosus opende haar. Hij deed er drie dingen in: een oude munt uit zijn zak, zijn kleine kopie van zijn drieluik, en zijn rekeninstrument dat zijn grootvader had gebruikt. Hij sloot de tas. Hij zei: dank u. Nu is zij klaar.
Klytia zei: aan wie geeft u haar? Kosus zei: aan de eerste ruiter die haar durft te dragen. Klytia zei: wanneer? Kosus zei: wanneer de stad achter hem begint te branden.
De Kosus zegt: wat u draagt op een wit paard door een brandende stad, moet ergens in worden verpakt. De tas is niet minder belangrijk dan de inhoud. Wie de inhoud vergeet omdat de tas mooi is, verliest alles. Wie de tas vergeet omdat alleen de inhoud telt, verliest onderweg de inhoud.
Verhaal 22
Klytia vroeg Kosus op een dag: leg mij uit wat de Keuro is. Ik heb u erover horen praten met Demira en Alkion maar ik begrijp haar niet.
Kosus haalde uit zijn zak twee dingen: een muntstuk en een klein houten schijfje. Hij legde ze op tafel. Hij zei: dit is een euro. Zij meet transactie. Ik geef u de euro, u geeft mij brood. De euro is geleverd, het brood is geleverd, wij zijn quitte. Wij kennen elkaar niet, wij hoeven elkaar niet te kennen. De euro werkt tussen vreemden en dat is haar deugd. Zonder haar zou de wereld stilstaan.
Klytia knikte. Kosus wees op het houten schijfje. Hij zei: dit is een Keuro. Zij meet iets anders. Zij meet wat u aan iemand heeft gegeven zonder dat er direct iets terugkwam. Zij meet dat u drie weken bij mijn zieke moeder heeft gezeten toen zij stierf. Zij meet dat u een halve dag heeft gebruikt om de leidingen bij mij te herstellen zonder mij een rekening te sturen. Zij meet dat u mijn kind naar school heeft gebracht toen ik ziek was. Zij meet trouw. Zij meet aanwezigheid. Zij meet wat een groep aan zichzelf geeft.
Klytia zei: hoe kunt u dat meten? Trouw is niet meetbaar. Kosus zei: u heeft gelijk dat trouw op zichzelf niet meetbaar is. Maar de handelingen die uit trouw voortkomen, zijn wel te herkennen. Wanneer iemand een half uur wandelt om een oude buurvrouw haar boodschappen te brengen, is dat een handeling. Wanneer iemand een middag inruimt om een dorpsgenoot te helpen verhuizen, is dat een handeling. Wanneer iemand een kwartier de tijd neemt om iemand op straat te helpen die is gevallen, is dat een handeling. Zulke handelingen worden vandaag niet geregistreerd. Zij verdwijnen in de lucht. De Keuro registreert ze niet als geld, want dat zou hen bederven. Zij registreert ze als eerbetoon.
Klytia zei: wie kent hen dan uit? Kosus zei: dat is de moeilijkste vraag. Er zijn drie mogelijkheden. Eerst: een centrale autoriteit die alle handelingen registreert. Dat is wat China doet met zijn sociale-krediet-systeem, en dat is fout, want dan wordt de burger een middel voor de staat. Ten tweede: iedereen kent zichzelf uit. Ik zeg dat ik trouw ben, dus krijg ik een Keuro. Dat is naïef, want dan geldt iedereen zichzelf als heilig. Ten derde: de gemeenschap kent haar leden uit. Wie in het dorp weet dat iemand een half uur wandelde met de boodschappen, kent hem een Keuro toe. Er zijn drie of vier getuigen nodig. Zij bevestigen elkaar. Dat is een groep. Zij weet wat zij aan zichzelf geeft.
Klytia zei: en dan? Wat kan iemand met een Keuro doen? Kosus zei: dat is de belangrijkste vraag. Een Keuro is niet inwisselbaar voor consumptie. U koopt er geen brood mee. U koopt er geen huis mee. U koopt er niets mee wat de euro ook kan kopen. Zij is uitwisselbaar voor iets anders: voor toegang tot wat de groep aan zichzelf beheert. Voor een stem in de gemeenteraad die zwaarder telt. Voor een plaats in een raad van toezicht die de groep beschermt. Voor het recht om te spreken in vergaderingen die er echt toe doen. Voor een uitnodiging bij een besluit dat u anders niet zou hebben gekregen. Kortom: voor bestuurlijke deelname. Wie veel Keuro heeft, is niet rijk. Hij is gerechtigd door zijn gemeenschap om haar mee te regeren.
Klytia zei: en wat als iemand Keuro verzamelt om macht te krijgen? Kosus zei: uitstekende vraag. Het antwoord ligt in de handeling zelf. Wie Keuro verdient door trouw, laat zien dat hij trouw is. Wie Keuro probeert te verdienen voor macht, wordt door de groep als dusdanig herkend en zijn Keuro's verliezen hun waarde. Zij worden weggegeven of verdampen. De Keuro werkt alleen wanneer degene die haar draagt haar niet als middel gebruikt. Zodra zij als middel wordt gebruikt, valt zij weg. Dat is de zelfregulering die haar mogelijk maakt.
Klytia zei: dat is bijna te mooi om waar te zijn. Kosus zei: het is mooi maar het is niet gemakkelijk. Het is niet één mechanisme dat u opzet en dat dan werkt. Het is een cultuur die u onderhoudt. En cultuur wordt gebouwd door verhalen te vertellen, door voorbeelden te geven, door mensen te herinneren aan wat zij waarderen. Daarom schrijven wij de Kosaris. De Kosaris is de cultuur waarin de Keuro kan bestaan. Zonder de Kosaris is de Keuro een houten schijfje. Met de Kosaris is zij een groep in materiële vorm.
De Kosus zegt: een munt die kan worden gekocht met geld, is geld. Een munt die alleen kan worden verdiend met trouw, is een groep die zich bewust wordt van zichzelf.
Verhaal 23
Klytia las die winter Kosus' drieluik dat Demira haar had geleend. Zij las langzaam. Zij begreep niet alles. Sommige tabellen sloeg zij over. Maar de kern begreep zij: dat wij onze eigen rekening niet meer op orde hebben, en dat wij dat kunnen herstellen als wij ophouden onszelf voor te liegen.
Op een middag zei zij tegen Kosus: uw drieluik is belangrijk. Maar het is te moeilijk voor mij. Ik weef, ik heb geen ambtelijke kop. Ik kan het niet aan mijn kinderen doorgeven. Zij zullen het niet lezen.
Kosus zei: u heeft gelijk. Ik heb het drieluik geschreven voor wie op de brug van het schip zit of wie ambitie heeft daarheen te gaan. Maar wie aan de haven staat, heeft een ander boek nodig. Dat is de Kosaris. Ik heb haar nog niet geschreven. Ik ben haar aan het schrijven.
Klytia zei: wat komt in de Kosaris? Kosus zei: alles wat in het drieluik staat, maar in verhalen. Niet als tabel, niet als betoog. Als toneel. De verfrommelde boeg wordt een schip dat u kunt zien. De vervuilde noemer wordt een zak meel die twee kilo te licht is. De vier lagen worden een burgemeester die de rekening niet kan lezen. De drie stormen worden Alkion's voorspelling. De Keuro wordt een houten schijfje. Zo verandert een studie in een leesboek.
Klytia zei: en waarom heet het Kosaris? Kosus zei: omdat wij iedereen die het leest de gelegenheid geven om te kijken. Kijk wat gebeurt in uw dorp. Kijk in de spiegel zonder filter. Kijk wat u koopt. Kijk waar het brood vandaan komt. Kijk wat u aan uw kinderen doorgeeft. De Kosaris is het boek dat kijken leert. De Bijbel leerde geloven. De Kosaris leert kijken. Zij zijn niet in strijd met elkaar. Zij lopen in elkaar over. Wie kijkt en trouw is aan wat hij ziet, gelooft vanzelf iets waarvoor hij misschien geen naam heeft.
Klytia zei: hoe wilt u haar verspreiden? Kosus zei: langzaam. Niet als verkoopartikel. Zij moet niet in de arena worden gepresenteerd. Zij moet worden doorgegeven van hand tot hand. Wie haar leest en herkent, geeft haar aan een ander. Zo groeit zij organisch. Wie geen tijd heeft om haar door te geven, is niet klaar. Wie haar in de kast zet zonder dat zij is aangeraakt, gaat verloren. Wie haar leest en er iets aan doet, wordt een lezer die op zijn beurt draagt.
Klytia zei: heb ik de eerste kopie in handen? Kosus zei: u heeft een van de eerste. Demira heeft er ook een. Alkion heeft er ook een. Petros neemt er een mee naar Malta. Er zijn nu vier of vijf mensen die haar hebben. Volgende maand zijn er twintig. Volgend jaar zijn er duizend. Over vijf jaar honderdduizend. Over vijftig jaar staat zij in elke huiskamer waar de bewoners haar willen. Dat is niet mijn plan. Dat is wat er gebeurt met een boek dat mensen aan elkaar geven omdat zij denken: hij moet dit ook lezen.
Klytia zei: en wanneer u er niet meer bent? Kosus zei: dan is het boek er. En u bent er. En Demira is er. En Alkion is er. Wij zijn samen genoeg. Ik hoef niet heilig te zijn om wat te vertellen. Ik moet alleen zorgen dat het is opgeschreven voor ik ga. Dat is genoeg. Wat na mij komt, is niet aan mij.
De Kosus zegt: een boek dat de groep zichzelf geeft, wordt niet gekocht en niet verkocht. Het gaat van hand tot hand. Wie het houdt, weet dat hij verantwoordelijk is voor de volgende hand.
Verhaal 24
Kosus had een oud instrument in zijn tas. Klytia zag het toen hij eens bij haar aan tafel zat. Het was een verzameling koperen wielen en tandwielen op een houten voetstuk. Aan de zijkant zaten getallen gegraveerd. Er waren draaiknoppen. Er was een klein glaasje waardoor je onder in het apparaat kon kijken.
Klytia zei: wat is dat? Kosus zei: dit is een rekeninstrument dat mijn grootvader gebruikte. Hij was accountant in dienst van de provincie. Hij rekende met dit ding uit wat gemeenten uitgaven en wat zij binnenkregen. Hij deed dat voor er computers waren. Hij was daarin beter dan de meeste computers vandaag, omdat hij precies wist wat er in de knop zat waar hij aan draaide.
Klytia zei: mag ik zien hoe het werkt? Kosus draaide aan een knop. Een wieltje bewoog. Een cijfer verscheen in het glaasje. Hij draaide aan een tweede knop. Een tweede cijfer verscheen. Hij draaide aan een derde knop. In het glaasje verscheen een derde cijfer dat de som was van de eerste twee. Klytia zei: een optelmachine? Kosus zei: een optelmachine, en meer. Zij kon aftrekken, vermenigvuldigen, delen. Dat is niet het bijzondere. Het bijzondere is dat mijn grootvader per handeling wist wat hij deed. Hij wist welk wiel welk cijfer bewoog. Hij kon nooit fouten maken die hij niet zag. Vandaag drukt iedereen op een knop en een cijfer verschijnt en niemand weet meer waarom.
Klytia zei: is het instrument dan het wiel of het weten? Kosus zei: uitstekende vraag. Het instrument is beide. Het is het koperen apparaat en het is het weten van wie het bedient. Zonder de een is de ander waardeloos. Ik draag dit apparaat als herinnering aan het weten. Wanneer ik zeg dat het instrument in de tas van de ruiter zit, bedoel ik niet dit apparaat. Ik bedoel het weten dat mijn grootvader had. Het weten dat elk cijfer een handeling is. Het weten dat elke handeling een gevolg heeft. Het weten dat wie rekent, verantwoordelijkheid draagt.
Klytia zei: is dat weten in uw drieluik opgeschreven? Kosus zei: het is in het drieluik opgeschreven, ja. Maar het is niet het drieluik. Het is de houding die achter het drieluik zit. Het drieluik is een boekhouding. Het weten is de weigering om ooit een cijfer te noteren dat u niet zou verdedigen als iemand u erop aanspreekt. Dat is wat het instrument werkelijk is. Het is een geweten in koperen vorm.
Klytia zei: kan ik dat weten leren? Kosus zei: u heeft het al. U weefde vier maanden aan een tas voor drie dingen die niemand u kon uitleggen. U rekende in uw hoofd zonder een euro dat het de moeite waard was. Dat is het weten. Wat u niet heeft, is de taal om het te delen. Die geeft de Kosaris u. Maar de Kosaris geeft geen weten. Het weten is er al. Elk mens die eerlijk werkt, heeft het. Het is alleen in dertig jaar bedolven onder ruis.
Klytia zei: wat als de ruis blijft? Kosus zei: dan wint de ruis. Maar er zijn mensen die de ruis niet aankunnen. Zij zoeken stilte. Zij worden de lezers van de Kosaris. Zij worden de dragers van de Keuro. Zij worden de gemeenschap die haar eigen haven koopt. Zij zijn niet talrijk. Zij zijn wel genoeg. In elke tijd zijn er genoeg mensen die stilte zoeken. Wij hoeven de hele wereld niet te overtuigen. Wij hoeven alleen degenen te bereiken die al weten wat zij niet konden benoemen.
De Kosus zegt: het instrument is niet de machine. Het instrument is het geweten dat de machine gebruikt. Zonder geweten is de machine gevaarlijk. Met geweten is een simpel wiel voldoende.
Deel VIII
Waarin Petros de oude Ridder komt vertellen wat Malta is, wat Doornroosje daar slaapt, en waarom het kapitaal daarheen moet stromen voordat Brussel de laatste tak omzaagt.
Verhaal 25
Op een dag zat er aan de kade een oude man die Demira nog niet had gezien. Hij droeg gewone kleren maar hij had een merkwaardig kruis om zijn nek. Het kruis had acht punten. Demira had zoiets nooit eerder gezien.
Zij bracht hem een brood en een glas water — hij zag eruit alsof hij het kon gebruiken. Hij bedankte haar. Hij sprak Nederlands met een licht zuidelijk accent. Zij vroeg: waar komt u vandaan? De man zei: ik heet Petros. Ik kom van Malta. Ik ben op reis om te kijken of Europa nog is waar zij was.
Demira zei: mijn naam is Demira. Van welk Malta bedoelt u? De man zei: het eiland dat de Ridders van Sint-Jan bewaarde tussen 1530 en 1798. Ik ben een van de laatste ridders in de oude traditie. Wij zijn niet veel meer. Wij zijn zeven op het hele eiland. Wij dragen het kruis en wij houden het gedachtegoed levend. Wij hebben geen leger. Wij hebben een geheugen.
Demira zei: wat is uw gedachtegoed? Petros zei: dat een gemeenschap ergens voor moet staan waarvoor zij bereid is te vallen, anders is zij geen gemeenschap. Dat is wat de Ridders in 1565 hebben bewezen toen zij met zeshonderd ridders en negenduizend Maltese burgers een Osmaanse invasie van veertigduizend man hebben tegengehouden. Wij noemen dat het Beleg. Zonder dat beleg zou Europa vandaag Osmaans zijn geweest. Wij hebben Europa gered en zij hebben ons vergeten. Dat is niet erg. Wat wij deden, was niet om onthouden te worden.
Demira zei: waarom bent u nu hier? Petros zei: ik hoor dat er in Europa een nieuwe uitvinding gaande is. Ik hoor van een man die Kosus heet, van een boek dat Kosaris heet, en van een munt die Keuro heet. Ik hoor dat op Malta het moederhuis van deze uitvinding zou moeten komen. Ik reis om de plekken op te zoeken waar deze uitvinding vandaan komt. Ik wil weten of zij oprecht is.
Demira zei: Kosus zit in de derde straat aan uw linkerhand, in het huis met de blauwe deur. Petros glimlachte en zei: ik ga hem morgen bezoeken. Vandaag zit ik hier en ik eet uw brood en ik kijk naar uw haven. Dat is de eerste toets van elke uitvinding: hoe voelt zij op de kade waar zij begint.
Toen Petros was uitgegeten en had bedankt, stond hij op. Voordat hij ging, zei hij tegen Demira: uw brood is dichtbij gemaakt. Dat proef ik. Wie brood maakt zoals u, bewaart zonder het te weten een deel van wat wij op Malta bewaren. U bent, zonder het te weten, een ridder van uw eigen oven. Draag dat rustig. Wees er niet trots op. Trots is de val van elke groep die begint. Wees er dankbaar voor.
Demira stond met haar handen op de toonbank en zij voelde iets veranderen. Zij wist niet wat. Zij wist dat er iets verschoof.
De Kosus zegt: een oude ridder herkent u aan wat u doet met uw handen. Hij hoeft niet te vragen wat u gelooft. Wat u maakt vertelt hem alles.
Verhaal 26
Petros bracht op zijn tweede avond in het dorp een boek mee. Het was een oud boek in het Engels. Op de kaft stond: The Great Siege of Malta, 1565. Hij gaf het aan Kosus.
Kosus opende het en las een passage voor aan Demira, Alkion en Klytia: "Op 18 mei 1565 verscheen de Osmaanse vloot voor Malta. Op 8 september 1565 was zij verdreven. In die vier maanden zijn tweehonderdvijftig ridders en zevenduizend Maltezen gestorven. Van de vijftienhonderd verdedigers die de campagne begonnen, bleven zes maanden later zeshonderd over. Grootmeester Jean Parisot de Valette, toen tweeënzeventig jaar oud, streed persoonlijk aan de linies. Zijn woorden bij de aanvang van het beleg zijn overgeleverd: Wij verdedigen niet muren. Wij verdedigen wat achter de muren leeft."
Kosus sloot het boek. Hij zei: dit is een geschiedenis die iedereen in Europa zou moeten kennen. Zij is bijna helemaal vergeten. Zij wordt niet gedoceerd. Zij wordt niet gedramatiseerd. Zij is geen thema in de film of de literatuur. Waarom, denkt u?
Alkion zei: omdat wij vergeten zijn wat wij te verdedigen hebben. Kosus zei: dat is precies. Een beschaving die weet wat zij te verdedigen heeft, koestert de verhalen van haar verdediging. Een beschaving die het is vergeten, laat de verhalen wegzakken. Wij zijn niet meer bang voor Suleiman. Wij zijn bang voor onze belastingaangifte. Dat is een verschil in reikwijdte.
Klytia zei: hoe brengen wij het terug? Kosus zei: door het te vertellen. Aan onze kinderen. Aan onze kleinkinderen. Aan onze schoolklassen. Niet als militaire geschiedenis. Als menselijke geschiedenis. Wat gebeurt er wanneer zeshonderd mensen vier maanden lang standhouden tegen veertigduizend, wetend dat zij zullen sterven? Wat is er in hen dat wij zijn kwijtgeraakt? Wat kunnen wij van hen leren over onszelf?
Petros zei: ik zal u zeggen wat er in hen was. Zij wisten waar zij bij hoorden. Niet abstract. Niet als vlag. Zij wisten wie hun buurman was. Wie hun broer was. Wie hun heer was. Zij wisten wat er zou gebeuren met hun dochter als de Osmanen wonnen. Zij wisten dat hun kerk zou worden neergehaald. Zij wisten dat hun taal zou worden verboden. Zij wisten dat hun kinderen slaaf zouden worden. Dit weten is wat hen tot heldendom bracht. Zonder het weten is er geen heldendom.
Alkion zei: kunnen wij dat weten terugvinden? Petros zei: niet direct. Wij kunnen niet doen alsof wij Malta 1565 zijn. Wij zijn Europa 2026. Wij weten niet zoals zij wisten. Maar wij kunnen iets nieuws leren te weten. Wij kunnen leren wat er verloren gaat als de derde storm zijn werk voltooit. Wij kunnen leren wat er verloren gaat als de tweede storm inslaat. Wij kunnen leren wat er verloren gaat als de eerste storm komt. Elk van die verliezen is groot. Wanneer wij dat leren voelen, hebben wij ons eigen weten. Het is niet hetzelfde als dat van Malta 1565, maar het is genoeg.
Kosus zei: en de Kosaris is bedoeld om dat weten te helpen groeien. Elk verhaal in dit boek probeert de lezer iets te laten voelen dat hij anders niet zou voelen. Wanneer hij het gevoeld heeft, kan hij handelen. Voordat hij het gevoeld heeft, wacht hij op instructies die niemand geeft.
De Kosus zegt: een beleg dat wij vergeten zijn, laten wij herhalen zonder het te weten. Wie de verhalen van de verdediging vertelt, is niet nostalgisch. Hij is een geheugendrager. Zonder hem is de volgende generatie weerloos wanneer de aanval komt.
Verhaal 27
Op de derde avond nam Petros het gezelschap in gedachten mee naar Malta. Hij zei: kom mee, u hoeft niet op te staan. Sluit uw ogen als u wilt. Ik neem u mee.
Hij begon. Hij zei: u zeilt vanaf Sicilië naar het zuiden. Achtennegentig kilometer over water. In de verte ziet u een lage kustlijn. Kalksteen, honingkleurig. Bijna geen bomen. De zon staat hoog. Wanneer u de haven van Valletta binnenvaart, ziet u aan weerszijden vestingmuren die door de Ridders zijn gebouwd na 1565. Zij zijn gemaakt om nooit meer een beleg te verliezen. Zij hebben ook geen beleg meer verloren.
U meert aan. U loopt de trappen op, langs de bogen die Grootmeester Valette liet bouwen. U komt in de bovenstad. Rechte straten. Winkels die er honderd jaar staan. Een barbier die uw grootvader had geknipt als u tijdig was geboren. Aan de rechterkant staat een gebouw met een grote poort. Boven de poort, in steen gehakt, staat een acht-puntig kruis. Dit is de auberge van de tong van Provence. Zij is gebouwd in 1571 om de ridders uit die streek van Frankrijk te huisvesten. Zij staat leeg sinds Napoleon in 1798 de Ridders verjaagd.
Kosus zei: leg uit wat er in 1798 gebeurde. Petros zei: Napoleon voer in juni 1798 met een grote vloot naar Egypte. Onderweg lag Malta. Hij vroeg vrije doorgang voor zijn schepen. De Grootmeester weigerde. Napoleon landde met twintigduizend man. Malta viel in twee dagen. De Ridders werden verjaagd. Napoleon plunderde in twee weken de schatten van de Orde — goud, zilver, kunstwerken, boeken. Hij liet er een garnizoen achter en voer verder. De Britten kwamen twee jaar later en verdreven de Fransen. Malta werd Brits. De Ridders kwamen niet meer terug in bestuurlijke vorm. Wat er overbleef, is de traditie en zeven mensen die haar bewaren.
Alkion zei: en de auberge? Petros zei: de auberge staat leeg. Zij is eigendom van de Maltese staat. Zij is niet gerestaureerd omdat er geen geld voor is en omdat niemand precies weet wat zij ermee zou moeten. Toen ik Kosus hoorde spreken over een moederhuis voor de Kosaris, dacht ik direct aan haar. Zij is de juiste plaats. Zij is groot genoeg voor de drie functies die de Kosaris vraagt — tekst bewaren, jaarlijkse samenkomst houden, leerlingen ontvangen. Zij is klein genoeg om nooit een organisatie te worden. En zij heeft een geschiedenis die niet aan één natie toebehoort. Zij was Provençaals, dat is voor-Frans. Zij was Ridderlijk, dat is voor-nationaal. Zij is Maltees, en Malta ligt op de scharnier van drie werelddelen.
Kosus zei: en wat slaapt daar? Petros zei niets. Hij keek Kosus lang aan. Toen zei hij: u weet wat daar slaapt. Ik hoef het niet uit te spreken. Kosus zei: ik wil het uitgesproken hebben voor Demira en Alkion en Klytia. Petros knikte. Hij zei: daar slaapt Doornroosje. Zij is de toekomst van Europa. Niet als abstractie. Als concreet ding. Zij is de nog-niet-verspilde productiecapaciteit. Zij is het nog-niet-uitgegeven kapitaal. Zij is de nog-niet-verlaten kennis. Zij is de nog-niet-vergeten cultuur. Zij ligt in de auberge en zij slaapt. Zij wacht.
Klytia zei: waarop wacht zij? Petros zei: op twee dingen. Op het einde van de doornen. En op het verzamelen van wat nodig is voor de herbouw. Wanneer de doornen zijn gesnoeid en er niets is verzameld, ontwaakt zij in een lege kamer. Wanneer er is verzameld en de doornen zijn niet gesnoeid, blijft zij slapen tot alles wat verzameld is is weggerot. Beide moeten tegelijk. De doornen worden gesnoeid door miljoenen mensen in heel Europa. Het verzamelen gebeurt op één plaats. Op Malta. Zij is de kluis.
Demira zei: waarom Malta? Petros zei: omdat Malta klein genoeg is om nooit haar eigen politiek op te leggen. Omdat Malta al zesduizend jaar bewoond is en dus weet wat bewaren betekent. Omdat Malta in 1565 heeft bewezen dat zij Europa kan redden zonder Europees te zijn. Omdat Malta ver genoeg van elke hoofdstad ligt om niet te worden ingekapseld. En omdat Malta een fiscaal regime heeft dat door de rest van Europa wordt aangevallen en dat wij nodig hebben om de bewaring mogelijk te maken. Dat laatste is een gevoelig punt. Ik zal het u later toelichten.
Kosus zei: en de tas van Klytia? Petros zei: die neemt u mee wanneer u komt. Wij hangen haar in de auberge. Zij ligt daar totdat u terugkomt. En wanneer u er niet meer bent, is er iemand anders die haar overneemt. Zo werkt bewaring. Nooit door één, altijd door de reeks.
De Kosus zegt: een kathedraal waar de toekomst slaapt is niet een tempel. Zij is een kluis. Wie de sleutel heeft, bewaakt niet een geloof — hij bewaakt een mogelijkheid. Die mogelijkheid is Europa.
Verhaal 28
Enkele weken later kwam Petros terug in het dorp. Hij had iemand meegenomen. Een man van in de zestig, goed gekleed maar niet opzichtig. Hij sprak Duits met een licht Beiers accent. Petros stelde hem voor: dit is Wilhelm. Ik heb hem drie maanden geleden ontmoet in Zürich. Hij was op zoek naar een plaats. Ik heb hem verteld over Malta. Hij is nu op weg om zich daar te vestigen. Onderweg wilde hij het dorp zien waar de Kosaris wordt geschreven.
Demira bracht koffie. Wilhelm zat aan Demira's tafel en vertelde langzaam.
Hij zei: ik ben in 1962 in München geboren. Ik heb een bedrijf opgebouwd in de jaren tachtig — precisiegereedschap voor de automobielindustrie. Toen ik veertig was, telde het bedrijf tweehonderdvijftig mensen. Op mijn zestigste, twee jaar geleden, heb ik het verkocht. Ik ontving in totaal veertig miljoen euro. Ik heb belasting betaald. Wat ik overhield was iets meer dan de helft.
Kosus knikte. Wilhelm ging verder.
Hij zei: ik hield van mijn bedrijf. Ik hield van mijn stad. Ik was actief in de gemeenteraad. Ik doneerde aan het lokale ziekenhuis. Ik betaalde mijn belastingen zonder morren. Ik was niet iemand die vertrok. Ik was iemand die bleef. En toen, in 2024, begon de discussie in Berlijn over een vermogensbelasting. En de discussie over de erfbelasting. En er kwam een nieuwe Wegzugsbesteuerung — een belasting op vertrek — die maakt dat wie zijn vermogen uit Duitsland wil halen, eerst twintig tot dertig procent moet afdragen. En elke maand kwamen er nieuwe berichten. Vermogensbelasting die zes procent zou worden, dan acht, dan niet, dan weer wel. Erfbelasting die tot vijftig procent zou stijgen bij overdracht aan mijn kinderen. Rekenmodellen die aantoonden dat mijn vermogen in tien jaar met de helft zou zijn geslonken zonder dat ik één slechte investering had gedaan.
Alkion zei: dus u besloot te vertrekken. Wilhelm zei: ik besloot niet. Mijn accountant belde mij in januari van dit jaar en zei: Wilhelm, je moet nu kiezen. Zwitserland, Malta, Singapore, of blijven. Als je blijft, weet je hoe het afloopt. Ik vroeg om cijfers. Zij gaf ze mij. In Duitsland zou mijn nettovermogen over vijftien jaar tussen zeven en twaalf miljoen zijn. In Zwitserland tussen achttien en tweeëntwintig miljoen. In Malta tussen twintig en vierentwintig. In Singapore tussen tweeëntwintig en zesentwintig. Voor mijn kinderen was het verschil nog groter, want de erfbelasting in Duitsland zou de helft van wat ik naliet wegnemen, in Malta een fractie daarvan.
Klytia zei: dus u koos Singapore. Wilhelm zei: nee. Ik koos eerst Zwitserland, omdat het dichtbij was en omdat ik daar al vaak was geweest. Ik heb er drie maanden gewoond en ik voelde mij daar niet thuis. Zwitserland is comfortabel maar het is niet Europa zoals ik Europa ken. Het is een dorpje in een dal. Ik wilde nog steeds Europa dienen. Alleen niet meer Duitsland op de manier die Duitsland van mij vroeg.
Petros zei: en toen ontmoette u mij. Wilhelm knikte. Hij zei: Petros vertelde mij over Malta. Niet als belastingparadijs. Als plek waar de Ridders Europa hadden verdedigd. Als plek waar het geheugen van iets ouds nog leefde. Als plek waar mensen met vermogen bewust zouden kunnen kiezen om te blijven binnen Europa in plaats van naar Singapore te gaan. Petros vertelde mij ook over de Kosaris en over Kosus. Hij vertelde over de kathedraal waarin Doornroosje slaapt. Ik geloof niet meteen aan sprookjes. Maar het beeld heeft mij niet losgelaten. Ik dacht: als er ooit een plek is waar mijn geld een doel kan hebben in plaats van alleen zichzelf voort te planten, is het daar.
Wilhelm keek Kosus aan. Hij zei: ik ga niet naar Singapore. Ik ga naar Malta. Ik heb daar drie weken geleden een huis gekocht. Ik zal daar leven. Ik zal daar mijn Duitse belasting op mijn vermogen niet meer betalen, want die is er niet meer. Ik zal in Malta betalen wat Malta van mij vraagt, en dat is minder. Het geld dat ik daardoor overhoud, wil ik gebruiken voor Europa. Ik weet nog niet precies hoe. Ik ben een gereedschapmaker, geen ideoloog. Maar ik zoek de plaats waar mijn geld iets kan doen.
Kosus zei: heeft u een broer? Wilhelm zei: ik heb een broer. Hij is twee jaar jonger. Hij was mede-eigenaar van het bedrijf. Hij heeft zijn deel gehad, twintig miljoen. Hij is drie maanden geleden naar Singapore vertrokken. Hij noemt mij een romanticus omdat ik in Europa blijf. Hij zegt dat Europa af is. Singapore is nieuw. Daar wonen jonge mensen met visie. Daar is het klimaat vriendelijk. Daar is de belasting laag. Daar is geen politiek gedoe. Hij heeft gelijk over al deze punten. En hij heeft ongelijk op één punt. Zijn geld is voor Europa verloren. Voorgoed. Ook wanneer hij het over twintig jaar terugbrengt, zal hij het niet meer terug kunnen brengen als Europees kapitaal. Het is dan Aziatisch kapitaal dat toevallig in Europa investeert. Dat is een verschil dat mijn broer niet ziet en dat ik heb geleerd te zien.
Demira zei: hoeveel mensen zoals u vertrekken? Wilhelm dacht na en zei: Duitsland alleen al zevenennegentigduizend mensen in 2025. In 2021 waren dat er vierenzestigduizend. Miljonairs die hun woonland verlaten — wereldwijd honderdvijfenzestigduizend in 2025. Ongeveer vijfhonderd van hen zijn Duitse miljonairs. Zij nemen bij elkaar bijna twee miljard euro mee. Ik heb dat gelezen in de Neue Zürcher Zeitung. Het gaat niet stoppen. Het gaat toenemen. Elk jaar meer. Wanneer Duitsland niet verandert — en Duitsland zal niet veranderen, want zijn politiek is er niet toe in staat — is er over vijf jaar geen groot vermogen meer in Duitsland dat niet is vertrokken.
Kosus zei: waarheen? Wilhelm zei: op de bestemmingslijst voor 2026 volgens hetzelfde rapport staan Singapore, Italië, Zwitserland, Griekenland, Hong Kong, Nieuw-Zeeland. En in Zuid-Europa nadrukkelijk Malta, Portugal, Cyprus. Van elke tien Duitse miljonairs die vertrekken, gaan er ongeveer drie of vier naar plaatsen buiten Europa. Dat is het echte verlies. Voor de rest is er tenminste hoop dat het geld nog binnen bereik is wanneer Europa iets opnieuw wil bouwen.
Alkion zei: wat moet Malta doen? Wilhelm zei: Malta moet volhouden. Zij wordt onder druk gezet door Brussel om haar fiscale regime af te schaffen. Zolang Malta zich niet laat afschaffen, blijft zij de bestemming die het verschil maakt tussen Europees en verloren kapitaal. Wanneer Malta wél zwicht en haar regime opgeeft, verliest Europa haar laatste kluis. Al het geld gaat dan naar Singapore. Dat is een strategische ramp die de mensen in Brussel niet begrijpen omdat zij nooit zelf een bedrijf hebben opgebouwd.
Kosus zei: wilt u helpen bij het opbouwen van de auberge in Valletta? Wilhelm zei: ja. Dat is precies waar ik heen wil. Ik heb geen kinderen die het bedrijf hebben overgenomen. Ik heb wel iets dat ik wil doorgeven. Als de Kosaris bestaat en de auberge wordt de plaats waar mensen zoals ik hun kapitaal kunnen aanbieden voor de herbouw van Europa, dan wil ik daar een van de eersten zijn. Ik zal niet alle veertig miljoen aanbieden. Ik heb kinderen en ik heb een leven. Maar tien of vijftien miljoen wil ik binden aan de auberge. Onder voorwaarden. Dat de auberge nooit een politieke partij wordt. Dat het geld nooit wordt gebruikt voor iets dat ik in mijn leven niet zou goedkeuren. Dat er transparantie is over waar het naartoe gaat.
Kosus zei: dat is precies hoe het werkt. Er wordt geen politieke partij van gemaakt. Er is geen investering in aandelen. Er wordt bewaard. Wanneer er ergens in Europa iets wordt gebouwd dat bij de Kosaris past — een school die het oergevoel terugbrengt, een gemeente die Nova Democratia invoert, een boerderij die zichzelf voedt zonder subsidie, een fabriek die vertrekt uit een land met vervuilde noemer en zich in Malta hervestigt — dan kan uw geld daar terecht. Onder toezicht van de auberge. Nooit als schenking, altijd als investering met voorwaarden. Zodat het geld werkt terwijl het wacht.
Wilhelm zei: dat is het beste voorstel dat mijn accountant en ik in twee jaar hebben gehoord. Wanneer teken ik? Kosus zei: u tekent niets. U verhuist naar Malta, u ontmoet Petros' mensen daar, u ziet de auberge, u praat met de eerste vier of vijf mensen die al hebben getekend, en u besluit dan zelf. Wij doen niet aan wervers. Wie mee wil doen, komt uit vrije wil. Wie het niet ziet, blijft weg. Beide is goed.
Wilhelm bleef die avond eten. Toen hij vertrok, zei hij tegen Demira: uw brood is beter dan het beste in München. Ik zal het missen. Demira zei: kom terug wanneer u het weer proeven wilt. Ik ben er.
De Kosus zegt: wie zijn geld naar Singapore brengt, brengt zijn geld naar een plek waar het niet meer thuis kan komen. Wie het naar Malta brengt, brengt het naar een kluis die aan Europa toebehoort. Het verschil ziet u pas op de dag dat u iets wilt bouwen. Op die dag is Malta bereikbaar en Singapore is te ver.
Verhaal 29
Op een avond zaten Kosus, Petros, Demira, Alkion en Klytia in Demira's keuken. Petros had bericht gekregen uit Malta. Hij bracht het als een verhaal.
Hij zei: er is in Valletta een jonge minister. Zij heet Andreana. Zij is drieëndertig jaar oud. Zij is minister van financiën in de huidige Maltese regering. Zij is een van de zeven ridders — jong voor die orde, maar toegelaten omdat haar grootmoeder ook in de traditie stond. Zij is vorige week naar Brussel gegaan voor een vergadering van de Ecofin-raad. Zij is gisteren teruggekomen. Ik heb met haar gesproken vanmorgen aan de telefoon. Ik zal u vertellen wat zij heeft meegemaakt.
De vergadering ging over de zogenaamde Pillar Two-richtlijn. Dat is een Europese en internationale afspraak dat elke onderneming een minimumbelasting van vijftien procent moet betalen op haar wereldwijde winst. Het klinkt redelijk. In werkelijkheid is het gericht op landen met een lagere belastingdruk voor bedrijven — Ierland, Nederland (via zijn constructies), Cyprus, Malta. Vooral Malta wordt geviseerd, omdat Malta een systeem heeft waarbij buitenlandse bedrijven vijfendertig procent betalen maar tot dertig procent kunnen terugkrijgen als zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. Netto komt het uit op ongeveer vijf procent. Dat is legaal. Dat is transparant. Dat staat in de Maltese wet sinds 1994.
Andreana zat in de vergadering. Naast haar zat de Duitse minister. Tegenover haar de Franse. De Nederlandse minister was er ook. De agenda was: hoe versnellen wij de implementatie van Pillar Two zodat de Maltese en Cypriotische bedrijfsbelasting per 2028 effectief vijftien procent is?
De Duitse minister opende. Hij zei: wij kunnen niet langer accepteren dat er binnen de Europese Unie belastingoase-praktijken bestaan die onze eerlijke concurrentie ondermijnen. Duitsland verliest ieder jaar honderden bedrijven aan landen als Malta, en het kost ons miljarden aan gederfde belastinginkomsten.
Andreana wilde antwoorden. Zij kreeg het woord van de voorzitter. Zij zei: mijn geachte collega, ik moet uw bewering rechtzetten. Duitsland verliest bedrijven niet aan Malta omdat Malta een lagere belasting heeft. Duitsland verliest bedrijven omdat Duitsland zijn arbeidskosten en zijn energiekosten in twintig jaar met drieënzestig procent heeft opgejaagd. Wanneer een Duitse fabrikant zijn productie verplaatst, gaat hij niet naar Malta — Malta heeft geen industriële basis voor zware fabricage. Hij gaat naar Polen, Vietnam of China. Wat wij op Malta ontvangen zijn niet uw fabrieken. Wat wij ontvangen zijn ondernemers en investeerders die anders naar Zwitserland, Singapore of Hong Kong zouden gaan. Als u ons regime afschaft, gaan zij niet terug naar Duitsland. Zij gaan naar buiten Europa. U wint niets, u verliest alleen dat wat wij binnen bereik hielden.
Er viel een stilte. Toen sprak de Franse minister. Zij zei: mevrouw uw pleidooi is retorisch aantrekkelijk, maar de cijfers wijzen erop dat het belastingregime van Malta rechtstreeks bijdraagt aan wat wij fiscale erosie noemen. Andreana zei: ik heb hier vanochtend cijfers. Frankrijk heeft in 2025 negentigduizend gefortuneerde inwoners verloren aan het buitenland. Dat waren er in 2020 tweeëndertigduizend. Uw curve is nog steiler dan die van Duitsland. Wij ontvangen ongeveer drieduizend van hen per jaar op Malta. Zonder ons zouden zij nog vermogen meenemen naar Dubai of Singapore. Ik nodig u uit om de curve van uw eigen vermogensvlucht naast onze inkomstencijfers te leggen. Dan zult u zien dat wij niet uw probleem zijn. Wij zijn wat er van uw probleem overblijft nadat u zelf de oorzaak niet hebt willen benoemen.
De Nederlandse minister nam het woord. Hij zei: Malta moet begrijpen dat solidariteit binnen de Unie ook fiscale coördinatie inhoudt. Andreana keek hem aan en zei: solidariteit is niet dat het kleine land het regime van het grote land overneemt. Solidariteit is dat het grote land zijn eigen huis op orde brengt in plaats van van het kleine land te eisen dat zijn deur wordt dichtgetimmerd. Nederland verloor in 2025 tienduizend miljonairs. Uw pensioenpot van zeventienhonderdvijftig miljard euro is voor bijna de helft belegd in obligaties van landen die onhoudbaar zijn. Als één van die landen omvalt, valt uw pensioenpot mee. Op dat moment is Malta een van de weinige plaatsen in Europa waar u nog kapitaal kunt vinden om uw pensioenen te dragen. En u wilt Malta afschaffen. Beste collega, u zaagt aan de tak waarop u gaat zitten wanneer uw eigen tak breekt.
De vergadering werd geschorst. Andreana verliet de zaal en vond in de gang een jonge medewerker van de Ierse minister. Hij fluisterde haar toe: dank u. Dat had ook Ierland moeten zeggen. Wij durven het niet. Blijf staan. Wij staan achter u zonder dat wij het openlijk kunnen zeggen.
Andreana vloog die avond terug naar Valletta. Zij dacht in het vliegtuig lang na. Zij heeft mij, zei Petros, gebeld toen zij nog in de auto zat vanaf de luchthaven naar haar huis. Zij zei tegen mij: Petros, ik weet niet meer of dit spel te winnen is. Ik weet wel dat wij niet mogen opgeven. Iedere dag dat wij Malta niet afgeven, is een dag dat het kapitaal binnen bereik van Europa blijft. Zij zei: help mij het te blijven volhouden.
Kosus zei tegen Petros: zeg haar dat wij haar helpen. Zeg haar dat wij een boek schrijven waarin wat zij doet wordt uitgelegd voor iedereen die niet in Brussel zit en die niet in het Duitse Wegzugsbesteuerung-jargon thuis is. Zeg haar dat er duizenden mensen zijn die haar gelijk geven en die vandaag niet weten dat zij haar gelijk geven. Zeg haar dat Malta niet zwicht.
De Kosus zegt: de kleinste minister van de kleinste lidstaat kan de grootste dienst bewijzen aan Europa door één ding: niet zwichten. Wie zwicht helpt niemand. Wie standhoudt helpt alles wat na hem komt.
Verhaal 30
Petros kwam de volgende avond terug. Hij had een oud document meegebracht. Op perkament. In het Frans. Gedateerd 1798.
Hij zei: dit is een verslag geschreven door mijn overgrootgrootvader, Édouard de la Rochefoucauld. Hij was een van de laatste Ridders die Malta verliet toen Napoleon kwam. Hij schreef zijn verslag op reis, in een herberg in Sicilië, in de dagen na de vlucht. Ik zal u vertellen wat er in staat.
In juni 1798, schreef hij, verscheen Napoleon voor Malta met een vloot van vierhonderdtwintig schepen. Wij hadden minder dan tweehonderd ridders. De Grootmeester was oud en zwak. Hij aarzelde. Napoleon vroeg om vrije doorgang voor water en voorraden. De Grootmeester weigerde eerst. Napoleon landde troepen op verschillende punten van het eiland tegelijk. Onze verdediging brak binnen zesendertig uur. Op de derde dag onderhandelde de Grootmeester over de overgave. Wij werden verplicht het eiland te verlaten.
Napoleon plunderde in twee weken alles wat wij in tweehonderdachtenzestig jaar op Malta hadden verzameld. Het goud van de Sint-Janskathedraal. De zilveren beelden van de heiligen. De boeken van onze bibliotheek. De sieraden van de dames-donatrices. Alles werd op zijn schepen geladen en meegenomen naar Egypte. Onderweg zonk het meeste ervan bij de slag om Aboukir, toen de Britten de Franse vloot vernietigden. Onze schatten liggen sindsdien op de bodem van de Middellandse Zee.
Édouard vervolgde: dit was niet alleen een militaire nederlaag. Het was een geestelijke moord. Napoleon wist wat hij deed. Hij nam niet alleen het goud. Hij nam de tekens waarmee wij onszelf herkenden. Hij begreep dat een orde zonder zijn tekens geen orde meer is. Wij verlieten Malta met wat wij op ons lichaam droegen. Ik droeg dit kruis dat u vandaag ziet, dat u zult zien tot ik sterf, en dat mijn kinderen zullen dragen tot zij sterven. Meer had ik niet.
Petros rolde het perkament dicht. Hij zei: dat was de eerste uittocht. In 1798. Wij hebben er tweehonderd jaar over gedaan om ons daarvan een beetje te herstellen. De zeven van ons die nu de traditie dragen, zijn de nakomelingen van de vierhonderd ridders die het overleefden. Wij zijn weinig, maar wij zijn wel weer aanwezig.
Kosus zei: en de tweede uittocht? Petros zei: die is bezig. Al dertig jaar. Zij komt niet als een leger. Zij komt als een reeks akten. De ATAD-richtlijn van 2016. De DAC-richtlijnen die informatie afdwingen. De EU Code of Conduct die zonder juridische basis toch als druk werkt. De EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties. Pillar Two vanaf 2028. Wat Napoleon in tien dagen deed met kanonnen, doet Brussel in dertig jaar met formulieren. Het resultaat is hetzelfde: Malta wordt leeggeplunderd. Niet meer van zijn goud. Van zijn fiscale ademruimte. Zonder die ruimte is Malta armer, minder ondernemingslustig, minder aantrekkelijk voor het kapitaal dat wij nodig hebben voor de kluis waarin Doornroosje slaapt.
Klytia zei: waarom doet Brussel dit? Petros zei: niet uit boosheid. Uit gebrekkig inzicht. De Duitse en Franse ministers die op Ecofin zitten, hebben nooit zelf een bedrijf opgebouwd. Zij denken in totalen — de totale belasting die theoretisch in de EU wordt geheven, de theoretische verdeling. Zij zien het niet als individuele bewegingen — de individuele ondernemer die kiest tussen München en Zürich en Malta en Singapore. Zij denken: als wij Malta afschaffen, blijft het geld in Duitsland. Zij zien niet dat het naar buiten Europa gaat. Zij missen de tweede-orde-effecten. Dat is niet kwaadwilligheid. Dat is een blinde vlek, en het is de duurste blinde vlek van deze eeuw.
Demira zei: kunnen wij iets doen? Petros zei: u kunt de Kosaris schrijven. U kunt in de Kosaris het verhaal van de tweede uittocht opnemen zodat het niet alleen in de vergaderzalen van Brussel bekend is, maar ook in de keukens van Nederland, Duitsland, Frankrijk, Italië. Wanneer een miljoen mensen begrijpen wat Malta is en waarom Malta niet mag worden opgegeven, verandert de politieke druk op Brussel. Niet snel. Wel definitief. Elke lezer die zijn Kosaris doorgeeft aan iemand anders, verzet één steen op de dam. Wanneer er genoeg stenen zijn, houdt de dam.
Kosus zei: en Andreana? Petros zei: Andreana staat vandaag. Zij zal morgen staan. Wij weten niet of zij overmorgen staat. Dat hangt af van of wij snel genoeg zijn met wat wij hier aan het maken zijn. Dit is een wedloop. De akten van Brussel gaan door. De Kosaris gaat door. Wie het eerst een miljoen mensen bereikt, wint. Niet in politieke zin. In geheugen-zin. En geheugen bepaalt uiteindelijk politiek, ook al ziet niemand precies wanneer dat gebeurt.
De Kosus zegt: de eerste uittocht van Malta was met kanonnen in tien dagen. De tweede uittocht is met formulieren in dertig jaar. Beide leegroven wat de generaties hebben verzameld. Wie de eerste kende maar de tweede niet ziet, is dezelfde blindheid geworden die de eerste mogelijk maakte.
Deel IX
Waarin Malta een keuze maakt die haar niet uit Europa haalt maar wel uit een beleid dat haar leegzuigt.
Verhaal 31
Petros kwam terug uit Malta een week nadat hij het verhaal van de tweede uittocht had verteld. Hij had een dossier bij zich in een leren map. Hij legde het op tafel bij Kosus.
Hij zei: Andreana heeft mij dit gegeven. Zij noemt het de exit. Ik zal het u uitleggen.
Malta blijft in de Europese Unie, zei hij. Niet-vertrekken. Geen Brexit. Maar Malta neemt een besluit dat zij drie jaar geleden nog niet durfde. Zij verklaart officieel dat zij haar fiscale regime voor niet-Maltese vermogensdragers behoudt, ondanks alle druk van Brussel. Zij accepteert dat zij op de EU-lijst van schadelijke praktijken wordt geplaatst. Zij accepteert dat Duitsland en Frankrijk haar zullen aanvallen. Zij accepteert dat er procedures zullen komen bij het Europees Hof van Justitie. Zij accepteert dat er een sanctielijst zal komen. En zij accepteert dat als kostenpost. Niet als schaamte.
Kosus zei: waarom nu? Petros zei: omdat Andreana heeft berekend hoeveel kapitaal Europa in de afgelopen drie jaar heeft verloren aan Singapore, Hong Kong, Nieuw-Zeeland, Dubai en de Verenigde Arabische Emiraten. Ongeveer tweehonderdvijftigduizend miljonairs sinds 2023, cumulatief. Zij schat dat driehonderd miljard euro aan liquide vermogen buiten Europa is gebracht dat nooit meer terugkomt, ook niet wanneer Europa het over vijftien jaar wanhopig nodig heeft. Zij schat dat er in de komende drie jaar nog eens vierhonderd miljard aan volgt als er niets verandert. Zij zegt: Malta kan een deel daarvan opvangen. Als wij de exit doen — dus als wij ons regime nadrukkelijk handhaven en publiek communiceren dat wij de kluis van Europa zijn — dan komt een aanzienlijk deel van dat kapitaal naar ons in plaats van naar Singapore. Wij spreken over honderd tot honderdvijftig miljard euro dat binnen bereik van Europa kan blijven in plaats van voorgoed verdwenen.
Alkion zei: hoe communiceert Malta dat? Petros zei: precies daar zit de doorbraak. Malta verandert de framing. Tot vandaag heeft Malta zich verontschuldigd voor haar regime. Zij heeft gezegd: het is legaal, het staat in onze wet sinds 1994, wij zijn transparant. Zij heeft zich gedragen als iemand die betrapt is. Andreana zegt: wij stoppen daarmee. Vanaf nu zegt Malta iets anders. Wij zeggen: wij zijn de kluis van de Europese herbouw. Wij accepteren de sanctielijst. Wij accepteren de kritiek. En wij nodigen elke Europese vermogensdrager uit die anders naar Singapore zou gaan, om in plaats daarvan hier te landen. Onder één voorwaarde: dat het kapitaal beschikbaar blijft voor Europese herbouw op de dag dat de kluis wordt geopend.
Klytia zei: welke dag is dat? Petros zei: de dag dat er in Europa iets kan worden gebouwd. Vandaag kan er niets worden gebouwd, want de doornhaag is dertig jaar dik en de vervuilde noemer wordt niet gecorrigeerd. Maar over vijf, tien of vijftien jaar — na de eerste twee schepen zijn gebroken en de derde is aan het breken — komt er een moment waarop iemand aan tafel gaat zitten en zegt: wij moeten iets nieuws bouwen. Op die dag is de kluis nodig. Als de kluis leeg is, is er niets te bouwen. Als het kapitaal in Malta zit, is er iets te bouwen.
Demira zei: en de voorwaarden? Wat verwacht Malta van de miljonairs die komen? Petros zei: drie dingen. Één: hun kapitaal wordt in Malta geregistreerd en blijft aanwezig, maar het is niet vrij te gebruiken voor speculatie. Er is een minimumperiode van tien jaar waarbinnen minstens een bepaalde fractie in Europese productieve activa moet worden belegd — bedrijven, infrastructuur, landbouw, energie, onderwijs. Twee: zij tekenen een verklaring dat zij niet gaan handelen als kortetermijnspeculanten. Wie speculeert, verliest zijn Maltese fiscale status. Drie: zij dragen bij aan het onderhoud van de auberge en het moederhuis van de Kosaris via een jaarlijkse bijdrage die als bewaargeld werkt.
Kosus zei: kan Malta dit alleen? Petros zei: nee. Malta heeft ondersteuning nodig van tenminste twee andere kleine EU-lidstaten. Andreana denkt aan Ierland en Cyprus. Beide zitten in vergelijkbare situatie. Beide hebben iets te verliezen als zij toegeven aan Brussel. Beide hebben mogelijk baat bij een gecoördineerde verklaring. Wanneer drie landen tegelijk de exit doen, wordt de zaak juridisch en politiek anders. Eén land dat opstaat, kan worden neergeslagen. Drie landen die tegelijk opstaan, moeten worden onderhandeld.
Alkion zei: is er tijd? Petros zei: tijd tot begin 2028. Op dat moment moet Pillar Two in werking treden en verliest Malta veel van haar bewegingsvrijheid. Voor die datum moet de exit publiek en juridisch verankerd zijn. Andreana geeft zichzelf tot december 2027 om Ierland en Cyprus mee te krijgen. Als het lukt, wordt de exit gepresenteerd in januari 2028. Als het niet lukt, doet Malta het alleen en betaalt de prijs.
Demira zei: kunnen wij helpen? Kosus zei: wij helpen door de Kosaris te schrijven. Wij helpen door de verhalen door te geven aan de mensen die vandaag zonder Malta niet kunnen begrijpen wat er verloren gaat. Wij helpen door de miljonairs die twijfelen tussen Singapore en Malta een reden te geven om Malta te kiezen die verder gaat dan belasting. Wij bieden hen de auberge. Wij bieden hen Doornroosje. Wij bieden hen een verhaal waar zij hun geld aan kunnen binden zonder zich er ooit voor te hoeven verontschuldigen.
De Kosus zegt: wie in Brussel wordt aangevallen om wat hij is, kan drie dingen doen. Zich verontschuldigen — dat werkt niet. Zich verdedigen op de termen van de aanvaller — dat werkt ook niet. Of het gesprek verplaatsen naar zijn eigen termen. Dat is de exit. Malta doet dat vanaf januari 2028, met of zonder gezelschap.
Verhaal 32
Op een dag maakte Alkion een tocht naar de volgende haven, twee dagvaren zuidelijk. Hij had er tien jaar niet meer geweest. Hij ging kijken hoe die haven het maakte.
Toen hij aankwam schrok hij. De haven was er nog, maar zij was leeg. De kade was schoongeveegd van vissersbedrijven. Er stonden grote luxe woonblokken. In de haven lagen jachten van rijke bezoekers en enkele overgeleverde vissersboten die er als exhibitie werden bewaard door de gemeente. In de straten achter de kade waren alle winkels vervangen door caférestaurants en boutiques. Alkion vroeg aan een oude man op de kade: waar zijn de vissers? De oude man zei: opgekocht. De haven werd stukje bij beetje gekocht door bedrijven die van buiten kwamen. De vissers kregen mooie prijzen. Zij namen het geld en verhuisden. Nu is de haven mooi en niemand woont er meer die zij zelf is.
Alkion voer terug met zijn hart in zijn keel. Toen hij thuiskwam, ging hij direct naar Kosus. Hij zei: onze buurhaven is verkocht. De vissers zijn weg. De haven is een decor geworden. Zullen wij ook zo eindigen?
Kosus zei: wij kunnen zo eindigen. Er zijn drie beschermingen die wij moeten opzetten. De eerste is dat wij een grens stellen aan wie in de haven mag kopen. Een havenbewoner die vertrekt, mag alleen aan een andere havenbewoner verkopen. Dat is een oud recht dat wij hebben laten weglopen, en dat wij kunnen terughalen. De tweede is dat wij tussen ons afspreken dat wij niet verkopen aan wie de haven wil verhandelen. Dat is een cultuur. De derde is dat wij de haven kopen wanneer een oude visser sterft zonder erfgenamen die willen doorgaan. Dat betaalt zichzelf terug omdat de haven blijft werken.
Alkion zei: waar halen wij het geld vandaan? Kosus zei: van elkaar. Wanneer twintig havenbewoners maandelijks een klein bedrag in een gezamenlijke pot leggen, hebben wij binnen tien jaar een reserve om een aflopende visserij over te nemen wanneer er geen opvolging is. Dat is niet ingewikkeld. Het vraagt alleen dat wij het afspreken en dat wij het volhouden. Dat is trouw. Trouw kost tijd, geen geld.
Alkion ging de volgende week rond bij alle havenbewoners. Hij had twintig gesprekken. Zeventien mensen zeiden ja. Drie zeiden nee, want zij geloofden er niet in. Dat was voldoende. De gezamenlijke pot begon. In het derde jaar kocht de pot de eerste vissersboot terug van een weduwe wier man was gestorven. In het achtste jaar kocht de pot een oud pakhuis van een ondernemer die anders aan een investeerder had verkocht.
De haven bleef een haven. Alkion leerde iets in die jaren dat hij niet had verwacht. Hij leerde dat trouw niet romantisch is. Zij is praktisch. Zij is een klein bedrag per maand dat u niet mist en dat over tien jaar een gebouw is dat u wel mist als het weg was gegaan.
De Kosus zegt: een haven verkoopt niet in één dag. Zij verkoopt in vijfentwintig jaar, kavel voor kavel. Wie op de eerste kavel let, redt de haven. Wie op de laatste kavel let, redt niets meer.
Verhaal 33
Anthea was toen tien. Zij zat op de basisschool aan het plein. Op een middag kwam zij thuis en zei tegen Demira: oma, ik heb vandaag niets geleerd. Demira vroeg: hoe bedoel je? Anthea zei: ik heb rekenen gedaan, ik heb taal gedaan, ik heb aardrijkskunde gehad. Maar ik heb niets geleerd dat ik nog niet wist. Ik ken de tafel van zeven al drie jaar. De juf leerde ons de plaats van rivieren op een kaart. Ik ken die rivieren van mijn vader, die op vakantie langs ze heeft gereden. Ik heb geen enkele vaardigheid geleerd waarmee ik iets kan maken of iemand kan helpen.
Demira bracht Anthea 's avonds naar Kosus. Anthea herhaalde wat zij aan Demira had gezegd. Kosus knikte langzaam. Hij zei: jouw juf is niet dom. Jouw juf voert een programma uit dat honderdvijftig jaar geleden is bedacht voor kinderen die naar de fabriek zouden gaan. Toen was tafels leren en rivieren kennen belangrijk omdat elke arbeider die kon lezen, tellen en schrijven, voldoende basis had voor een leven achter een machine. Vandaag gaan er geen kinderen meer naar zulke fabrieken en het programma is nog steeds hetzelfde. Dat is de industriële vergissing van de eerste orde.
Alkion kwam de volgende week langs bij Demira en Kosus. Kosus vertelde hem wat Anthea had gezegd. Alkion zei: wij moeten iets doen. Kosus zei: wij kunnen iets doen. Haal de kinderen een middag per week uit de school en breng hen naar de haven. Laat Alkion hen leren netten herstellen. Laat de smid hen leren spijkers slaan. Laat Klytia hen leren weven, al is het maar één draad. Laat de tuinier hen leren zaaien. Laat mij hen leren lezen. Niet de letters die zij al kennen. Wat er tussen de letters staat.
Alkion en Demira gingen samen naar de school. De schooldirecteur luisterde. Hij zei: het kan niet volgens het rooster. Alkion zei: dan doen wij het buiten het rooster. Op zaterdagochtend. Vrij te bezoeken. Wie komt, komt. De directeur zei: dat is geen onderwijs. Kosus, die was meegekomen, zei: dat is precies onderwijs. Wat u geeft is opleiding. Er is verschil. Opleiding leert een kind wat het moet weten om nuttig te zijn voor iemand anders. Onderwijs leert een kind wat het moet weten om nuttig te zijn voor zichzelf en zijn gemeenschap. Wij zijn de opleiding niet aan het bestrijden. Wij zijn het onderwijs aan het toevoegen.
De zaterdagen begonnen die maand. Er kwamen zeven kinderen. Na drie maanden waren het vijftien. Na een jaar waren het vierendertig. Sommigen kwamen omdat zij wilden leren weven. Sommigen omdat zij hun kinderen wilden meebrengen. Sommigen omdat zij zich alleen voelden in het dorp en zochten iets om bij te horen. Ieder kreeg wat hij zocht, en meer.
En de kinderen begonnen weer volwassenen te herkennen die iets konden. Dat was wat zij het meeste hadden gemist. Anthea leerde weven bij Klytia. Zij was er goed in. Aan het einde van haar tiende jaar had zij haar eerste stof gemaakt. Zij gaf haar aan Demira als kerstcadeau. Demira hing hem in de bakkerij naast de tekening van het huis met de warmtelekkage.
De Kosus zegt: een school die alles leert behalve doen, leidt op tot mensen die alles kunnen behalve leven. Wie zaterdagochtend een kind leert wat het door de week niet leert, redt niet alleen dat kind. Hij redt ook zichzelf, want hij ontdekt dat hij nog steeds iets weet dat de moeite van het doorgeven waard is.
Verhaal 34
Er kwam een verkiezing in het dorp. De burgemeester die met Demira had gebakken, was klaar met zijn tweede termijn. Er waren drie kandidaten om hem op te volgen. Twee van de gebruikelijke partijen. Een van hen ging over veiligheid, de ander over jongeren. En er was een derde kandidaat. Zij heette Sofia en zij was tweeëndertig. Zij had geen partij. Zij had een programma dat op één kant van een A4 paste.
Sofia kwam bij Demira in de bakkerij. Zij vroeg: mag ik u iets vertellen? Demira zei: ga zitten. Sofia zei: ik wil de gemeente besturen op tien meetbare doelen in plaats van op partijbelangen. Ik heb ze uitgeschreven. Economische activiteit, werkgelegenheid, onderwijskwaliteit, zorg, veiligheid, wonen, klimaat, sociale samenhang, cultuur, en bestuurstransparantie. Elk doel krijgt een cijfer. Elk jaar wordt het cijfer geëvalueerd. Als een cijfer onder de twintig procent van het doel blijft, treedt de wethouder van dat kernveld af. Wetten die de gemeente maakt hebben een einddatum — vijf jaar voor gewone wetten, tien voor belangrijke wetten. Wanneer een wet vervalt, gaat hij door een burgerraad die beslist of hij vernieuwd wordt. En elke burger krijgt twee stemmen — één voor de partij van zijn keuze, één voor de prestatie van de zittende bestuurders.
Demira zei: dat is niet wat een gemeenteraad tegenwoordig doet. Sofia zei: dat is waarom ik mij kandidaat stel. De gemeenteraad tegenwoordig praat over partijkleur en over conflicten. Ik wil dat wij praten over doelen en resultaten. Wanneer er conflict is, is dat een teken dat de doelen niet duidelijk zijn. Wanneer de doelen duidelijk zijn, verdwijnt het conflict of het wordt productief.
Demira zei: hoe komt u aan deze aanpak? Sofia zei: ik heb een boek gelezen. Iemand die Kosus wordt genoemd heeft haar beschreven. Zij heet Nova Democratia. Ik heb haar niet zelf verzonnen. Ik pas haar toe op ons dorp.
Demira stuurde Sofia naar Kosus. Kosus had een lang gesprek met haar. Hij zei aan het eind: u past aan wat u bedacht heeft aan wat het dorp aankan. Dat is de juiste volgorde. Wie een model toepast alsof het overal hetzelfde werkt, doet aan ideologie. Wie een model aanpast aan de plek waar hij woont, doet aan bestuur. U bent bestuurder.
Sofia won de verkiezing met achttien stemmen verschil. In haar eerste jaar veranderde zij drie dingen. Zij publiceerde alle uitgaven van de gemeente online. Zij liet burgers uitloten voor de burgerraad die de vervallen wetten evalueerde. Zij liet elk kwartaal een dashboard zien met de tien kernvelden en hun cijfers.
In het tweede jaar zakte het dashboard voor wonen onder twintig procent. De wethouder wonen trad af. Er kwam een nieuwe wethouder — de vrouw van de metselaar in het dorp. Zij was zestien jaar zelf op wachtlijst geweest. Zij wist waar het probleem zat.
In het derde jaar begon een naburige gemeente hetzelfde te doen. In het vijfde jaar waren het zeven gemeenten. In het tiende jaar was het een beweging die haar eigen naam had gekregen zonder dat zij ooit officieel was uitgeroepen.
De Kosus zegt: een bestuur dat op meetbare doelen wordt afgerekend, is niet perfect. Het is menselijk. Wie de fout maakt om perfectie te eisen, krijgt geen bestuur, hij krijgt een dienaar. Wie eist dat het bestuur mee-groeit met zijn dorp, krijgt een medeburger. Een medeburger is genoeg.
Verhaal 35
Op een avond ging in het dorp een pakhuis in brand. Het was geen catastrofe. Er waren geen mensen binnen. De brandweer kwam. Het pakhuis stond in een kwartier in vlammen. Wat erin lag, was niet essentieel — het waren voorraden van een importeur die alles al elders had staan.
De brand zelf was niet het punt. Wat Kosus opviel, was hoe de mensen ernaar keken. Zij stonden op de kade in een halve kring. Zij hielden hun telefoons op om te filmen. Zij spraken niet met elkaar. Zij plaatsten hun beelden op sociale media met een korte tekst. Zij wachtten op wat anderen daarop zouden reageren. Sommigen kregen honderd likes en zij glimlachten. Sommigen kregen tien likes en zij deden hun telefoon weg.
Toen de brand geblust was en het pakhuis een zwart skelet, gingen de mensen naar huis. Zij hadden niets besproken. Zij hadden niets afgesproken. Het pakhuis werd de volgende dag afgebroken. Er kwam een nieuw pakhuis. Niemand kende de eigenaar van het oude. Niemand kende de eigenaar van het nieuwe. Het leek alsof niets was gebeurd.
Kosus liep die avond met Demira terug naar haar bakkerij. Zij zei: het was raar. Kosus zei: het was symbolisch. Het was de brandende stad uit mijn droom, in miniatuur. Maar geen ruiter vertrok. Iedereen bleef staan en filmde. En de tas met goud, boek, instrument werd niet weggedragen. Zij bleef in het pakhuis. Zij verbrandde met de rest.
Demira zei: is dat wat u ziet als de grote stad brandt? Kosus zei: dat is wat ik vrees. Wanneer de drie stormen komen, is er de mogelijkheid dat de mensen op de kade blijven staan met hun telefoons in de hand. Zij filmen de storm. Zij plaatsen de beelden. Zij wachten op likes. En ondertussen verbrandt de tas.
Demira zei: hoe voorkomen wij dat? Kosus zei: door van tevoren te weten wie de ruiter is. Dat is niet één persoon. Dat is een groep mensen die van elkaar weet dat zij bereid zijn iets weg te dragen. Wanneer de brand komt, aarzelt geen van hen. Zij pakken de tas op en vertrekken. Zij weten wie hen op de brand overneemt. Zij weten dat de rest van de mensen op de kade blijft staan filmen. Zij verwijten hun dat niet. Zij dragen wat gedragen moet worden. Wie later begrijpt wat er gebeurd is, sluit zich aan bij hen die al gingen.
Demira zei: hoe weet ik of ik een ruiter ben? Kosus zei: u weet het door dagelijkse handelingen. U staat om vier uur op. U bakt brood zonder klachten. U geeft brood weg aan wie het niet kan betalen. U weet wat een zak meel weegt en u laat u niet bedriegen. U leert kinderen op zaterdagochtend hoe een oven werkt. Dat zijn de handelingen van een ruiter voordat het paard is gezadeld. Wie deze handelingen doet, is klaar. Wie ze niet doet, blijft op de kade.
Demira zei: is dat niet hard tegen wie op de kade blijft? Kosus zei: het is niet hard, het is werkelijk. Wij oordelen niet over hen. Wij nemen wat wij dragen kunnen en wij vertrekken zonder omkijken. Wie later wakker wordt, kan volgen. De weg is open. De richting is bekend. Wie op de kade blijft filmen tot alles is verbrand, kan later niet zeggen dat hij niet wist. Hij wist. Hij koos anders. Dat is zijn recht.
De Kosus zegt: een brand is geen catastrofe wanneer de tas is meegenomen. Een brand is een catastrofe wanneer de mensen op de kade staan te filmen tot het te laat is. De brand kiezen wij niet. Wat wij met de brand doen, kiezen wij wel.
Deel X
Waarin de energie voor het herbouwde Europa uit de tropen komt, en de coöperatie met de landen op de evenaar de vorm wordt van een nieuwe verhouding.
Verhaal 36
In het jaar dat Anthea vijftien werd, kwam er een gast in het dorp die van ver kwam. Hij heette Mamadou. Hij was Mauritaanse boer. Hij kwam uit een dorp op vijfhonderd kilometer ten zuiden van de hoofdstad, in een streek die veertig jaar geleden woestijn was.
Kosus had hem uitgenodigd. Petros had de verbinding gelegd. Mamadou sprak Frans, matig Engels. Kosus vertaalde. Zij zaten met Demira, Alkion en Klytia aan tafel.
Mamadou zei: mijn dorp had geen bomen toen ik geboren werd. De grond was rood. Er was zand tussen onze tanden bij elke maaltijd. Mijn vader was herder. Hij had veertig geiten. Toen ik tien was, had hij nog twaalf. Toen ik vijftien was, was hij dood.
Vijftien jaar geleden kwam er iemand in ons dorp. Hij was een agronoom uit België. Hij had een plant bij zich, hoog gras met dikke stengels. Hij noemde het Juncao. Hij zei: als u dit plant, groeit het in gronden waar niets anders groeit. Het bindt de grond. Het houdt water vast. Het levert biomassa. Wat u niet zelf verbruikt, kunt u verkopen aan Europa.
Wij lachten hem uit, zei Mamadou. Wij hadden dertig jaar mensen gezien die zeiden dat zij iets zouden brengen. Wij geloofden er niet meer in. Maar de agronoom bleef terugkomen. Hij plantte een klein veldje met tien stuks Juncao op de grond van mijn oom. Hij verzorgde het zelf. Na drie maanden was het manshoog. Wij konden onze ogen niet geloven. Na een jaar was er een veld van drie hectare. Na drie jaar had het hele dorp Juncao. Wij hoefden geen kunstmest te kopen. Wij hoefden nauwelijks water te geven. De regen die viel bleef in de grond in plaats van weg te spoelen.
Vandaag, zei Mamadou, heeft mijn dorp tweehonderd hectare Juncao. Wij verkopen aan een raffinaderij in Nouakchott die er ethanol van maakt. Die ethanol gaat naar Europa. Onze kinderen gaan naar school. Wij hebben een dokter. Wij hebben elektriciteit. Mijn broers zijn niet naar de kust vertrokken om over te steken. Zij zijn thuisgebleven omdat er thuis werk is. Dat is wat een plant kan doen wanneer een agronoom vijftien jaar lang volhoudt en een Europees bedrijf de ethanol afneemt tegen een eerlijke prijs.
Klytia zei: hoeveel verdient u? Mamadou zei: mijn familie ontvangt ongeveer tweeduizend euro per hectare per jaar netto. Twee honderd hectare geeft ons ongeveer vierhonderdduizend euro per jaar, verdeeld over twintig gezinnen. Dat is voor onze streek een fortuin. In Europa is het een gemiddeld inkomen voor één gezin. Ik weet niet welke van de twee waar is. Ik weet wel dat wij niet meer arm zijn.
Kosus zei: en wat gebeurt er met het geld dat Europa aan uw dorp betaalt? Mamadou zei: een deel gaat naar de school. Een deel gaat naar de kliniek. Een deel gaat naar onze eigen infrastructuur — waterputten, wegen, opslag. Een deel gaat naar onze kinderen die in Nouakchott studeren en die daarna terugkomen om als ingenieur bij de raffinaderij te werken. Wij houden het geld in de streek. Wij geven het niet uit aan spullen die wij niet nodig hebben. Wij hebben in vijftien jaar geleerd wat een gulden waard is.
Alkion zei: en Europa? Mamadou zei: Europa krijgt onze ethanol. Uw industrie verbruikt haar. Uw auto's rijden erop. Uw schepen varen erop. Wij verdienen. U bespaart. Beide winnen. Dat is een handelsverhouding zoals uw grootouders die kenden voordat het imperiale tijdperk kwam en zoals wij haar mogelijk maken op basis van gelijkheid.
Kosus zei: hoeveel dorpen zoals het uwe zijn er? Mamadou zei: in Mauretanië nu tweehonderd. Groeiend naar duizend in tien jaar. In heel West-Afrika samen misschien tienduizend over vijftien jaar als het lukt. Elk dorp levert biomassa. Elke tanker die naar Rotterdam vaart, brengt uw energie thuis. Wij bouwen zonder subsidie. Wij bouwen met een handelspartner die zijn contract nakomt. Dat is genoeg.
Alkion zei: wat vraagt u van ons? Mamadou zei: één ding. Blijf ons contract nakomen. Wanneer over vijf jaar iemand in Brussel besluit dat wij niet meer aan uw duurzaamheidsregels voldoen omdat wij een nieuw formulier niet goed hebben ingevuld, en onze ethanol wordt geweigerd, valt ons dorp binnen twee jaar terug in armoede. Wanneer u ons contract nakomt, bouwen wij door. Meer vragen wij niet. Wij zijn geen slachtoffers. Wij zijn handelspartners. Behandel ons zo.
De Kosus zegt: een boer die vijftien jaar geleden geen bomen had en die vandaag zijn kinderen naar school stuurt, is een partner. Behandel hem als partner en Europa krijgt zijn energie terug. Behandel hem als hulpbehoevende en beide zijden verliezen wat zij hadden kunnen winnen.
Verhaal 37
Enkele avonden later zaten Kosus, Demira, Alkion, Klytia en Petros rond een kaart die Petros had meegebracht uit Malta. De kaart toonde de Middellandse Zee, met Europa aan de bovenkant en Afrika aan de onderkant. Er waren pijlen op getekend. Sommige gingen van Noord naar Zuid — spullen uit Europa. Sommige gingen van Zuid naar Noord — ethanol uit de Sahel.
Petros zei: de pijpleiding komt eraan. Niet één, meerdere. Er ligt al één vanuit Algerije naar Italië voor aardgas. Er komt er een tweede vanuit Marokko naar Spanje voor waterstof. En er komt er een derde — de belangrijkste — vanuit Mauretanië via Marokko naar Zuid-Spanje voor ethanol. Zij is nog in planning. Zij wordt gebouwd tussen 2028 en 2033. Wanneer zij klaar is, komt een deel van de Europese energiebehoefte uit de tropen in vloeibare vorm, transporteerbaar via pijp in plaats van via tankers.
Alkion zei: dat is een grote afhankelijkheid. Petros zei: het is een grote afhankelijkheid. Dat is precies het punt. Wij zijn nu afhankelijk van olie uit het Midden-Oosten, gas uit Rusland (wat wij nu weer proberen tegen te houden), zonnepanelen uit China. Elke afhankelijkheid is een risico. De vraag is niet of wij afhankelijk zijn — wij zijn het altijd. De vraag is met wie wij afhankelijk zijn, onder welke voorwaarden, en of de andere partij ook afhankelijk is van ons.
Klytia zei: is Mauretanië afhankelijk van ons? Petros zei: ja. Zonder de Europese afnamemarkt is de Mauritaanse Juncao-productie geen levensvatbaar bedrijfsmodel. Wij zijn de klant, zij zijn de leverancier. Wij hebben elkaar nodig. Dat is wederzijdse afhankelijkheid. In tegenstelling tot onze afhankelijkheid van Chinese zonnepanelen, waar China ons niet nodig heeft. Zij heeft haar eigen enorme thuismarkt. Wij zijn een klein deel van haar omzet. Wanneer zij ons wil afsnijden, kost dat haar niets. Wanneer wij haar willen afsnijden, kost dat ons alles. Dat is asymmetrische afhankelijkheid. Dat is gevaarlijk.
Kosus zei: en de pijpleiding? Petros zei: de pijpleiding is een lichamelijke verbinding tussen ons en Mauretanië, Marokko, Senegal. Wanneer zij ligt, is zij een fysiek feit dat niemand snel weghaalt. Zij vraagt onderhoud, wat werk oplevert voor beide zijden. Zij vraagt bescherming, wat gedeelde veiligheidsbelangen creëert. Zij vraagt handelscontracten die dertig, vijftig jaar meegaan. Dat is precies het soort verbinding dat Europa en zijn buurstaten al honderd jaar niet hebben gehad. Het is niet imperialisme — de goederen komen uit Afrikaanse handen. Het is niet ontwikkelingshulp — er zijn geen subsidies, alleen contracten. Het is handel op ooghoogte.
Demira zei: waarom is het niet eerder gedaan? Petros zei: omdat Europa dacht dat het zichzelf kon voorzien. Toen wij hoorden dat wij zonnepanelen op onze daken konden leggen en windmolens in onze wateren konden zetten, dachten wij: wij hebben Afrika niet nodig. Wij zijn ons eigen bedrijf. Vijftien jaar later zien wij dat de zonnepanelen niet uit Europa komen maar uit China, en dat de windmolens niet elke dag draaien. Wij hebben ons dak overschat. Wij hebben onderschat wat de mensen op de evenaar konden. De zon staat daar het hele jaar hoog. De biomassa groeit daar drie tot vier keer sneller dan bij ons. Wij hadden onze verbinding met hen moeten koesteren in plaats van te menen dat wij haar konden vervangen door zelfvoorziening.
Klytia zei: en de wortels? Kosus keek Petros aan. Petros zei: de wortels van Juncao gaan in de Mauritaanse aarde drie meter diep. Zij houden zand vast dat anders wegwaait. Zij houden water vast dat anders verdampt. Wanneer u een veld Juncao heeft, verandert de grond binnen drie jaar. De temperatuur onder de plant is drie tot zes graden koeler dan de omgeving. Insecten komen terug. Vogels ook. Kleine dieren die tien jaar geleden waren verdwenen, worden weer gesignaleerd.
Wanneer wij ethanol uit die dorpen halen, zei Petros, halen wij niet alleen brandstof. Wij halen ook een klimaatvriendelijker klimaat rond de evenaar. Wij helpen ecosystemen herstellen door hun de economische rechtvaardiging te geven om te blijven bestaan. Dat is een geheim dat de Europese groene beweging maar traag heeft ontdekt. De beste manier om een ecosysteem te beschermen is niet het uit te roepen tot beschermd gebied, waar geen mens meer aan mag komen. Het is een handelsketen op te bouwen waarbinnen het ecosysteem economisch waardevol wordt voor de mensen die er wonen. Dan beschermen zij het zelf, elke dag, zonder wet of subsidie.
De Kosus zegt: een pijpleiding die twee continenten verbindt op basis van wederzijdse afhankelijkheid, is meer dan een leiding. Zij is een handdruk in staal die dertig jaar wordt aangehouden. Wie zulke handdrukken bouwt, bouwt aan een wereld die na hem doorstaat.
Verhaal 38
Op een dag kreeg Alkion bezoek van een technicus. De man kwam uit Nederland maar had de laatste tien jaar in Rotterdam gewerkt aan een nieuw soort scheepsmotor. Hij heette Ruud. Hij had een tas met tekeningen en een klein modelletje van een motor.
Ruud zei tegen Alkion: uw boot vaart nu op diesel. Vier tot vijf duizend euro per jaar aan brandstof, denk ik. Alkion zei: iets meer. Ruud zei: ik wil u iets voorstellen. Ik heb een SOFC — solid oxide fuel cell — die is aangepast voor kleine vissersboten. Zij draait op ethanol. Zij is stiller dan een dieselmotor, ongeveer even krachtig, en zij verbruikt ongeveer een derde minder brandstof per uur. Zij kost meer bij aanschaf. Maar wanneer u haar zes jaar in gebruik heeft, is zij goedkoper dan wat u nu heeft.
Alkion zei: waar komt de ethanol vandaan? Ruud zei: uit Mauretanië, via de pijpleiding die in 2033 gereed komt. Voorlopig komt zij per tanker naar Rotterdam en dan met kleinere schepen naar de havens langs de kust. Volgende maand wordt de eerste levering in uw haven verwacht.
Alkion zei: hoeveel boten in deze haven kunnen daar aan? Ruud zei: van de tweeëntwintig boten die u nu heeft, komen er negen in aanmerking voor deze conversie. De rest is te oud of te klein. Voor die negen boten, als zij allemaal converteren, hebben wij een kleine haventank nodig van vijftigduizend liter. Die tank komt met een overheidsvoorschot dat u samen terugbetaalt aan de leverancier over acht jaar.
Alkion zei: en de investering in mijn motor? Ruud zei: bijna dertigduizend euro. Dat is drie keer een dieselmotor. Ik weet dat het veel is voor een visser. Maar er is een tegenmoetkoming van vijftigprocent voor de eerste tien boten die overstappen. Uw effectieve prijs is vijftienduizend. Dat kunt u terugverdienen in vier jaar op brandstofbesparing.
Alkion dacht na. Hij ging naar Kosus. Kosus zei: doet u het. Alkion zei: waarom? Kosus zei: omdat u anders over tien jaar de laatste dieselmotor in de haven heeft en niemand meer aan uw reparatie wil komen. En omdat elke liter ethanol die u gebruikt, zes tot acht euro naar Mauretanië stuurt. Vier liter voor uw uur werk brengt dertig euro naar het dorp van Mamadou. Dat is meer dan hulpgeld ooit heeft opgeleverd. Dat is wat wij noemen twee gemeenschappen, één voedingslijn.
Alkion converteerde zijn boot. Zij was drie maanden buiten dienst tijdens de installatie. Hij verloor die drie maanden aan inkomen, maar Demira bracht hem brood en Klytia hielp zijn vrouw met een winterjas voor de kinderen. Toen de boot uit de werf kwam, was zij anders. Zij klonk anders. Zij trilde niet. De brandstoftank zat kleiner. De rook uit de uitlaat was er niet meer.
Alkion voer zijn eerste tocht. Toen hij terugkwam met een normale vangst voor die tijd van het jaar, zei hij tegen Demira: het voelt als een nieuwe boot. Demira zei: het is nog steeds de boot van je grootvader. Alkion zei: dat is precies wat het is. Het is de boot van mijn grootvader, geleerd van mijn vader, verbeterd door mij. En de brandstof die zij vandaag gebruikt heeft, is gegroeid op grond die vijftien jaar geleden woestijn was. Twee grootvaders. Eén vaart.
De Kosus zegt: een boot van uw grootvader met een motor uit uw eeuw, gestookt met brandstof uit een land dat u vijftien jaar geleden niet kende, is meer dan een boot. Zij is de vorm van hoe een klein continent groot blijft zonder ooit een ander klein te maken.
Deel XI
Waarin Anthea volwassen wordt, twee buren veertig jaar later hun rekening opmaken, Jan die genoeg had wordt gemist, en Malta wakker.
Verhaal 39
Anthea werd vijfendertig. Zij liep op een ochtend in mei door het havendorp waar zij was opgegroeid. Demira was dood, tien jaar. Kosus was dood, acht jaar. Alkion leefde nog, ver in de tachtig, en hij zat elke ochtend nog op de kade. Klytia was ook nog. Petros was terug op Malta, hij zou het jaar niet halen.
Wat Anthea zag, was dit.
De bakkerij van haar oma bestond nog. Een neef van Anthea dreef haar nu. Hij bakte volgens Demira's recepten. De klanten die er kwamen waren voor het grootste deel dezelfde families. De prijzen waren redelijk. Het brood was nog steeds vijfentwintig kilo per vijfentwintig kilo.
De vissers waren er nog. Van de tweeëntwintig boten die er vroeger waren, waren er nu veertien. Alle veertien waren omgebouwd op ethanolmotoren. De havenkas — begonnen door Alkion — had drie boten teruggekocht van erfgenamen die geen visser meer wilden zijn. Die drie boten werden verhuurd aan jonge vissers die geen kapitaal hadden.
De weefsters waren er nog. Vier stuks. Zij weefden voor de lokale markt en voor twee winkels in de hoofdstad die alleen dichtbij-gemaakte stoffen verkochten. Klytia was hun mentor. Zij was oud maar zij leerde nog. Anthea's dochter, die zeven was, weefde al haar eerste stof.
Er was een nieuwe school aan de kade waar kinderen op zaterdag én doordeweeks kwamen. De zaterdagen waren nooit gestopt. Doordeweeks was de reguliere school gaan meebewegen — na tien jaar debat had het onderwijsministerie erkend dat de kinderen die de zaterdagen bijwoonden opvallend beter presteerden op de dingen die er echt toe deden. De reguliere school had een middagprogramma opgezet waarin de kinderen naar de haven konden, naar de smid, naar de weefster, naar de tuin.
Sofia, die Nova Democratia had ingevoerd, was inmiddels van haar burgemeesterspositie afgezwaaid — het model kende twee termijnen als maximum. Zij zat nu in de burgerraad van het dorp, gekozen door loting, en zij evalueerde de wetten die vervielen. Haar opvolger, een jonge man die weinig zei en veel deed, hield het dashboard levend.
Anthea was verpleegkundige geworden in een kliniek aan de rand van het dorp. De kliniek was klein. Twee dokters, vijf verpleegsters, één receptioniste. Zij deed haar werk zoals Kosus haar had geleerd, hoewel hij haar dat niet direct had geleerd. Zij zat naast haar patiënten en luisterde. Zij vroeg zelden wat de machine had gezegd. Zij vroeg vaker wat de patiënt zelf voelde. Aan het eind van de meeste gesprekken zeiden haar patiënten: ik voel me lichter. Zij deed haar werk niet snel. Zij deed het volledig.
Anthea liep verder. Zij liep langs de oude taverne waar Demira haar eerste oven had aangestoken. De oven was er nog. Achter haar liep haar dochter. Anthea's dochter zei: mama, kunnen wij hier stoppen? Anthea zei: waarom? De dochter zei: hier hangt iets dat mij herinnert aan iets dat ik niet ken.
Anthea glimlachte. Zij zei: dat komt door je overgrootmoeder. Zij is hier begonnen. Wij komen morgen terug en dan bak ik met jou een brood in die oven. De oven wordt zaterdags gebruikt door de kinderen die willen leren. Wij zijn welkom.
Anthea liep door naar de zee. Zij ging op de kademuur zitten waar Alkion vandaag ook zat. Zij zei tegen Alkion: hoeveel is er veranderd. Alkion zei: alles is hetzelfde en alles is anders. Anthea zei: dat is een goede beschrijving. Alkion zei: dat is de enige beschrijving die klopt. Als u ziet dat alles hetzelfde is, kijkt u naar de oppervlakte. Als u ziet dat alles anders is, kijkt u naar wat eronder ligt. Wij hebben in ons leven de onderkant veranderd zonder dat de bovenkant zichtbaar is veranderd. Dat is precies wat wij hoopten te doen.
Anthea zei: heeft Kosus dit gezien? Alkion zei: hij zag het aankomen. Hij heeft het ontwaken zelf niet meegemaakt. Hij zei tegen mij, drie dagen voor hij stierf: ik ga heen. Anthea zal het zien. Zij zal het ook mislezen als de anderen het mislezen. Zeg tegen haar dat mislezen niet erg is. Wat gebeurt gebeurt, of iemand het leest of niet.
Anthea keek uit over de zee. Zij dacht: hij had gelijk. Het was gebeurd zonder dat iemand het precies had gezien op de dag dat het gebeurde. Zij zat op de muur en zij voelde de zon op haar gezicht. Zij dacht aan haar dochter en aan de brief die zij vanavond zou schrijven aan de kliniek waar zij die maand een dag minder wilde werken om vaker naar de zaterdagen te kunnen.
De Kosus zegt: een prinses ontwaakt niet door een geluid. Zij ontwaakt door de langzame terugkeer van warmte in haar handen. Op een ochtend staat zij op en zij weet niet meer wanneer zij is opgestaan. Zij is er. Wie haar wilde wekken, herkent haar niet altijd. Wie haar niet wilde wekken, ziet haar ook niet. Zij wandelt tussen ons alsof zij altijd al hier was.
Verhaal 40
Henk en Piet, over wie Anthea had gehoord toen zij vijftien was, leefden nog. Beiden waren nu tachtig. Beiden woonden nog in dezelfde straat waar Anthea's ouders hadden gewoond. Het huis van Anthea's ouders stond nu leeg — haar ouders waren verhuisd naar een kleiner huis buiten het dorp.
Henk had zich, veertig jaar geleden, van zijn ladder af laten zakken en was op de trap ernaast gaan zitten. Hij was nooit meer zo hoog gestegen als hij had willen stijgen. Maar hij was ook nooit meer alleen geweest. Piet was zijn beste vriend geworden. Zij hadden elkaar in die veertig jaar duizend keer koffie gegeven.
Nu waren zij oud. Piet leerde nog steeds jonge mannen die op zijn trap wilden zitten. Hij nam hen mee naar de oude buurvrouw om te helpen met heggen — nu was er een derde generatie buurvrouwen die hulp nodig had. Piet was er altijd. Hij had zich niet uitgeput.
Henk kwam elke woensdag koffie drinken bij Piet. Zij spraken over hun kinderen, over de wereld, over hun oude rug. Op een woensdag zei Henk: Piet, ik heb iets ontdekt. Piet zei: wat? Henk zei: dat ik nooit heb geweten wat rijk zijn was tot ik ophield het te willen. Piet lachte. Hij zei: ik weet het al veertig jaar. Ik heb je gewacht. Henk zei: dank je dat je gewacht hebt. Piet zei: dat was het minste. Wie een vriend is, wacht.
Anthea hoorde over dit gesprek van Piet's dochter, die verpleegster was in dezelfde kliniek als Anthea. Anthea schreef het op in een klein schriftje dat zij al jaren bijhield. Zij noteerde: Henk en Piet, woensdag, veertig jaar. Kosus had gelijk. Wie op de ladder afstapt, moet leren opnieuw te zitten. Wie op de trap zit, moet leren wachten. Beide zijn oefeningen. Beide lukken.
De Kosus zegt: een ladder brengt u nergens dan waar u niemand kent. Een trap brengt u tot bij anderen, en op elke trede zit iemand die u kunt herkennen. Uw leven wordt niet gemeten aan hoe hoog u komt. Het wordt gemeten aan hoeveel mensen u onderweg heeft leren kennen.
Verhaal 41
Jan was lang dood. Hij was gestorven toen Anthea twintig was, dus vijftien jaar geleden. Zijn huis stond aan het eind van de kade. Het was door zijn zoon geërfd — de zoon die de auto had overgenomen toen Jan zestien was. De zoon woonde niet in het dorp. Hij had het huis verhuurd, eerst aan een oudere man, daarna aan een echtpaar dat vertrok, daarna aan niemand. Het huis stond drie jaar leeg. De tuin verwilderde.
Op een middag wandelde Anthea langs het huis. Zij zag door de heg dat de drie appelbomen die Jan had geplant, nog steeds droegen. De pruim was dood. Het gras was hoog. Op de plaats waar Jan zijn theetafel had gehad, stond nog een oude stoel — omgevallen.
Anthea belde de zoon. De zoon woonde in Duitsland. Hij was verrast dat iemand belde. Anthea zei: ik wil de tuin van uw vader terug in leven brengen. De zoon zei: ik weet niet of iemand het huis wil kopen. Anthea zei: ik wil het niet kopen. Ik wil het huren, tegen een lage prijs. Ik zal de tuin verzorgen. Wie u aan het huis kunt verhuren mag er in leven. Ik neem alleen de tuin.
De zoon dacht na. Hij zei: mijn vader zou dat gewaardeerd hebben. Ik verhuur het huis aan de eerste degelijke huurder die zich meldt. U kunt de tuin. Geen huur. Alleen behoud.
Anthea kreeg de sleutel van de tuin. Zij begon in maart. Zij had geen ervaring met tuinieren. Zij liet zich leren door een oude vrouw uit het dorp die vroeger bij Jan had gewerkt. Zij snoeide de appelbomen. Zij plantte een nieuwe pruim. Zij hoedde de theetafel weer overeind. Zij plaatste een stoel — dezelfde stoel als Jan had gebruikt, want die was er nog.
In de zomer zat Anthea één avond in de week in Jan's tuin. Zij zat op zijn stoel en zij dronk zijn soort thee. Zij keek naar de drie appelbomen en naar het water in de verte. Zij hoorde haar vrouw-in-de-keuken fluiten. Zij hoorde geen fluiten want haar vrouw was thuis, niet in Jan's keuken. Maar zij herinnerde zich hoe het klonk toen Jan het hoorde.
Zij dacht: dit is wat Jan bedoelde. Wanneer ik naar deze tuin kijk en er niets bij hoeft dat het beter zou maken, dan heb ik alles wat ik nodig heb.
Anthea zat elke week in Jan's tuin, twintig jaar lang. Toen zij oud werd, gaf zij de sleutel aan een jongere vrouw uit het dorp, die op haar beurt de tuin overnam. De tuin bleef in leven. Jan bleef in leven, op zijn manier.
De Kosus zegt: een tuin die door twee generaties na de plantersgezind wordt onderhouden, is meer dan een tuin. Zij is een levende zin die van hand tot hand gaat. Wie een tuin overneemt, is niet een tuinier. Hij is een leestekens in een zin die langer duurt dan zijn leven.
Verhaal 42
Petros leefde nog een half jaar na de dag dat Anthea in de tuin van Jan zat. Hij was zesennegentig geworden. Hij stierf op Malta, in zijn eigen huis, met een van de andere zes ridders naast hem.
Voor hij stierf schreef hij een brief. De brief was gericht aan Anthea. Waarom aan Anthea en niet aan Kosus of Demira of Alkion of Klytia? Omdat zij dood waren of stervend, en omdat Petros Anthea had leren kennen op één bezoek dat zij op haar zestigste aan Malta had gebracht. Zij was toen naar de auberge in Valletta gekomen. Zij had de tas van Klytia gezien, aan de muur van een kleine zaal op de tweede verdieping. Zij had begrepen wat er in de tas zat en waarom zij daar hing.
Petros schreef aan Anthea:
Beste Anthea,
Ik schrijf u vanuit Valletta. Ik ben oud en ik ga sterven. Wanneer u dit leest, ben ik er niet meer. Voordat ik ga wilde ik u iets vertellen dat u kunt doorgeven.
De auberge is nu een groep. Zij is geen instelling geworden. Er is geen bureaucratie ontstaan. Er is geen bestuur dat zichzelf voortplant. Er zijn drie functies zoals Kosus voorschreef, en zij worden vervuld door mensen die elkaar kennen. Elk jaar komen er tweehonderd mensen bijeen. Zij zijn afgevaardigden van de kleine huizen in Europa. Deze kleine huizen zijn nu ongeveer duizend in aantal. Zij liggen verspreid van Portugal tot Estland en van Griekenland tot Ierland. Elk huis heeft tussen tien en honderd mensen die er wekelijks samenkomen. Op elk moment lezen er ongeveer honderdduizend mensen uit de Kosaris in Europa. Meer wilden wij niet.
Het kapitaal is gekomen. Ongeveer tweehonderd Europese vermogensdragers hebben zich sinds 2027 in Malta gevestigd met de bedoeling om hun kapitaal te binden aan de auberge en de herbouw van Europa. Het totaal bewaarde vermogen ligt in de buurt van achttien miljard euro. Dat is niet enorm — Singapore ontvangt in vergelijkbare tijd dertig keer meer. Maar het is genoeg. Wij hebben nooit meer gewild dan wij verantwoord konden bewaren.
Wilhelm is gestorven twee jaar na u laatste bezoek. Hij heeft vijftien miljoen euro gebonden. Zijn bijdrage heeft twee scholen mogelijk gemaakt — één in Griekenland, één in Portugal — en de restauratie van een oude fabriek in Duitsland die zonder kapitaal zou zijn afgebroken. In die fabriek maken vandaag zestig mensen precisie-gereedschap, wat Wilhelm zijn hele leven had gedaan. Hij zou dat mooi hebben gevonden.
Andreana is nog steeds minister van financiën. Zij is zesenvijftig. Zij is een van de langstzittende ministers in de Maltese geschiedenis. Zij heeft de exit van 2028 doorgezet en Malta heeft er de gevolgen van gedragen. Wij zijn niet geïsoleerd geraakt. Frankrijk en Duitsland hebben ons wel afgestraft, maar niet vernietigd. De EU heeft ons op alle mogelijke lijsten gezet, maar Malta bestaat nog, en het kapitaal is niet naar Singapore gegaan.
Het beleg van 1565 heeft honderdvijfenzestig dagen geduurd. Onze exit heeft nu twintig jaar geduurd. Dat is korter dan de beleg per capita van inspanning per bewoner. Wij hebben in twintig jaar niet zoveel doden gehad als in vier maanden in 1565. Wij hebben wel iets bewaard dat de moeite waard was.
Ik vraag u om drie dingen. Kom terug naar Malta zolang u leeft. Vertel uw kinderen over de auberge zodat zij hun kinderen kunnen vertellen. Schrijf op wat u weet van uw grootmoeder en van Kosus, want er komen jonge mensen die nooit iemand die hen heeft gekend zullen kennen.
Ik omhels u vanuit de verte. Petros.
Anthea las de brief drie keer. Zij schreef die avond op wat zij zich herinnerde van Kosus en van Demira. Zij schreef veertien pagina's. Zij stuurde ze naar de auberge. Zij werden opgenomen in wat later Boek Drie van de Kosaris werd genoemd — het boek dat handelt over Kosus en de groep in de tijd na hun eerste vorming.
De Kosus zegt: een oude ridder die sterft in zijn eigen huis, met een broeder naast hem en een brief in de la, is niet dood. Hij is een letter geworden in een zin die anderen zullen aflezen. Zolang de zin wordt gelezen, is hij aanwezig. Malta was nooit een gebouw. Malta was altijd de zin.
Deel XII
Waarin het boek eindigt zoals het sprookje eindigt: met een uitnodiging.
Verhaal 43
Kosus was in zijn laatste jaar toen hij besefte dat hij niet alle veertig verhalen zelf kon opschrijven. Zijn hand trilde. Zijn zicht was slecht. Hij vroeg Anthea, die toen vijfentwintig was, om bij hem thuis te komen zitten met een pen en papier.
Anthea kwam. Zij ging naast Kosus zitten aan zijn tafel. Kosus dicteerde. Zij schreef. Zij deden het langzaam. Sommige avonden werd er niet meer geschreven dan één alinea. Anthea klaagde niet. Zij zei: ik heb tijd. Ik werk dagen in de kliniek en de avonden zijn voor u.
Toen zij bij het laatste verhaal kwamen, zei Kosus: ik weet wat ik dit boek wil laten zeggen. Schrijf op wat ik dicteer, precies zoals ik het zeg, ook wanneer u denkt dat ik mij vergis. Ik vergis mij niet in dit laatste stuk. Ik weet precies wat er moet staan.
Anthea nam de pen. Kosus dicteerde:
Beste lezer,
Dit boek is uit. Wat u ermee doet, is aan u.
U kunt het in de kast zetten en niet terugkomen. Dan is dit het einde van het boek in uw leven. Dat is uw recht en niemand oordeelt daarover. Er zijn mensen die dit boek nodig hebben op een bepaald moment en die er tien jaar later terugkomen, en er zijn mensen die het één keer lezen en het hun leven lang bij zich dragen zonder het weer open te slaan. Beide is goed.
U kunt het aan iemand geven van wie u denkt dat hij het zal lezen. Dan geeft u het door en wordt u een van de dragers. Dragers zijn belangrijker dan schrijvers, want zonder dragers is een schrijver een monoloog en met dragers wordt hij een dialoog die eeuwen kan duren.
U kunt het lezen en er iets van doen. Dan wordt u zelf een verhaal dat opnieuw wordt verteld. U wordt de bakker aan de kade in uw eigen dorp. U wordt de visser die de storm hoort. U wordt de weefster die de tas maakt. U wordt de ridder die uit Malta terugkeert. U wordt de burgemeester die met de bakker mee bakt. U wordt de moeder die haar dochter haar tekening laat maken.
U kunt het lezen en niets doen. Dat mag ook. Een boek dat u leest en dat u raakt zonder u te veranderen, heeft nog steeds zijn werk gedaan. Het heeft u in de buurt gebracht van iets dat u niet had gekend. Wat u niet had gekend, kent u nu. Dat kan later, wanneer u het minder verwacht, alsnog in u gaan werken.
Wat u niet kunt doen, is beweren dat u het niet wist. U weet het nu. U weet van de vier lagen. U weet van de drie stormen. U weet van de tas met goud, boek en instrument. U weet van Malta. U weet van de kleine huizen. U weet van Kosus die op de kade zat en de bol raadpleegde. U weet van Demira en haar oven. U weet van Alkion en zijn boot. U weet van Klytia en haar getouw. U weet van Petros en het kruis met acht punten. U weet van Anthea die kleuren zag die er niet waren. U weet van Doornroosje die slaapt in de auberge in Valletta en die wacht tot wij haar hebben verdiend.
Wij die dit boek doorgeven, wachten op u. Wij hoeven niet lang te wachten. De tijd geeft zichzelf. Wij zien u wanneer wij u zien. Tot dan: dank voor het lezen.
Kosus stopte. Hij zei tegen Anthea: schrijf onder deze brief mijn naam. Anthea schreef: Kosus. Kosus zei: schrijf ook mijn eigenlijke naam. Anthea schreef: Jacobus van Merksteijn. Kosus zei: schrijf ook waar wij nu zijn. Anthea schreef: Palma, Illes Balears. Zij dacht even en schreef ernaast: Malta, in het jaar dat de tweede eeuw begint na de Ridders.
Kosus zei: dat is klaar. Ga naar huis. Slaap. Morgen breng u dit terug en dan overhandigen wij het aan Klytia, die het aan de auberge zal brengen wanneer zij daarheen reist.
Anthea ging naar huis. Zij sliep die nacht slecht. Zij was er trots op dat zij Kosus' laatste woorden had opgeschreven, en zij was er verdrietig om, want zij besefte dat wat zij had opgeschreven zijn afscheid was en dat er niet veel na zou komen.
Kosus stierf zes weken later. Klytia nam het manuscript mee naar Malta. Zij overhandigde het aan Petros. Petros huilde toen hij zag wat het was. Hij las het één keer die avond. De volgende ochtend liet hij het kopiëren en beginnen met verspreiden.
Boek Eén was klaar.
Wat u nu heeft gelezen, is Boek Eén. Het is doorgegeven aan honderdduizenden mensen. Elke drager heeft er iets aan toegevoegd of iets aan afgetrokken. Wat er vandaag ligt is niet meer precies wat Kosus dicteerde en Anthea opschreef. Het is meer geworden. Het is gedeeld eigendom. Het is van u, nu u het heeft gelezen.
Wat u ermee doet, is aan u.
De Kosus zegt: een boek eindigt niet met zijn laatste bladzijde. Het eindigt wanneer de laatste lezer sterft die het heeft gelezen. Dan wordt het een oude tekst en gaat het een nieuw leven in. Zolang er nog één lezer leeft die het heeft geraakt, is het een levend boek. Wij hopen dat u het lang leest en dat u het aan velen doorgeeft, zodat het lang leeft.
De Kosaris — Boek Eén — Het boek van de heilige Kosus. Opgetekend door Jacobus van Merksteijn, ingenieur en uitgever, wonende op Malta en op Palma.
Uitgegeven onder openvizier.org. Illustraties in zwart-wit lithografie met blauwe accenten, in de huisstijl van Het Open Vizier.
"Wie de vier zuilen draagt, wordt door de vier zuilen gedragen."