Het sprookje van Jacobus

Het sprookje van Jacobus

In zestien pagina's — in de traditie van Grimm

Een sprookje voor kinderen om te horen, en voor volwassenen om te herkennen. Elke pagina heeft twee lezingen: links het sprookje in beeld en woord, rechts de volwassen betekenis.

Jacobus van Merksteijn · Het Open Vizier · Palma, 21 juli 2026

Hoofdstuk 1

Het rijke koninkrijk

Het rijke koninkrijk

Er was eens een continent dat rijk werd door te maken wat de wereld nodig had. Molens draaiden. Schepen voeren uit. Akkers stonden vol. In de haven wisselden goederen van hand.

En de mensen dachten dat het altijd zo zou blijven.

Hoofdstuk 2

De verteller

De verteller

In een kleine kamer aan de haven zit een oude man.

Voor hem op tafel staat een glazen bol. In de bol zijn geen leugens te zien, alleen wat werkelijk is.

Kom dichterbij, zegt hij, en kijk mee.

Ik vertel alleen waarheden, die volledig onderbouwd zijn.

Hoofdstuk 3

De mammoettanker

De mammoettanker

Kijk in de bol. Daar vaart een schip. Het is tien kilometer lang. De brug ligt achterop. Op de brug wordt bestuurd. Er wordt gestemd, er worden toespraken gehouden, er worden foto's genomen. Maar de boeg vaart tien kilometer vooruit. En de brug ziet de boeg niet. De boeg is aan het verfrommelen.

Hoofdstuk 4

Meer gas

Meer gas

Het schip verliest snelheid. De verfrommelde boeg maakt weerstand. Wat doet de brug? De brug geeft meer gas. Meer kolen op het vuur. Meer stoom. Meer weerstand. Meer gas. Meer weerstand. En in de machinekamer wordt gezwoegd, en niemand vraagt of er nog ergens naartoe wordt gevaren.

Hoofdstuk 5

De burgers op de kade

De burgers op de kade

Op de kade staan de gewone mensen. Zij zien de boeg vanaf de zijkant. Zij roepen. Zij wijzen. Zij proberen te waarschuwen. Maar de brug is te ver weg. De wind draagt hun stemmen niet naar boven. En de bemanning heeft de gordijnen dicht, want binnen is het lichter dan buiten.

Hoofdstuk 6

Het Land van Speelgoed

Het Land van Speelgoed

Maar wij, de mensen, zijn ook Pinokkio geworden. Drie generaties lang werden wij meegenomen naar het Land van Speelgoed. Alle wensen werden vervuld. Niemand vroeg iets van ons. En ongemerkt begonnen wij te veranderen. Onze oren werden langer. Onze staarten groeiden. In de spiegel zien wij het niet.

Hoofdstuk 7

De bemanning van de brug

De bemanning van de brug

In de grote zaal aan de achterkant van het schip zitten de bestuurders. Zij zijn slim. Zij zijn welopgeleid. Zij menen het goed. Zij tekenen papieren. Zij kloppen elkaar op de schouder. Aan de wand hangt een grote kaart uit het jaar 1992. Niemand kijkt door het raam. Buiten stormt het.

Hoofdstuk 8

Vijf schepen, één klip

Vijf schepen, één klip

En het is niet één schip. Het zijn er vijf. Frankrijk vaart voorop. Engeland volgt. Dan Italië en Duitsland samen. Spanje sluit de rij. Voor hen uit rijst een grote klip in de mist. Zij varen er allemaal recht op af. En op de brug van elk schip wordt gestemd over de kleur van de reddingsboten.

Hoofdstuk 9

De arena van geschreeuw

De arena van geschreeuw

In de grote hal aan land staat een verhoging. Daarop schreeuwen mannen en vrouwen elkaar toe. Wie het scherpste kan sneren, wint applaus. Beneden juicht het volk als bij een middeleeuws steekspel. Boven de deur tikt de klok twaalf. Er wordt niets gezegd dat waarheid is. Er wordt alleen gewonnen of verloren.

Hoofdstuk 10

De doornen van dertig jaar

De doornen van dertig jaar

In het bos staat een oude eik. Aan zijn takken hangen oude perkamentrollen. Om de eik heen groeit een muur van doornen, dertig jaar oud, dicht en scherp. Achter de doornen ligt een groene vallei met een werkende molen en een zonneveld. Iedereen kan de vallei zien. Niemand kan er komen.

Hoofdstuk 11

De verteller legt de kaarten

De verteller legt de kaarten

Kom dichterbij, zegt de oude man. Ik leg de kaarten. Op de eerste kaart een schip. Op de tweede een pop met ezelsoren. Op de derde een arena. Op de vierde een haag van doorns. Op de vijfde een verre burcht. De kaarten voorspellen niet, zegt hij. Ze ordenen wat al vaststaat. Kijk goed. En denk na wat u gaat doen.

Hoofdstuk 12

Het witte paard vertrekt

Het witte paard vertrekt

En dan komt de dag dat het witte paard wordt gezadeld. Op de rug van het paard rijdt iemand die vooruit kan zien. Hij draagt in zijn tas goud, een boek, een instrument. Achter hem begint de stad te branden. Hij kijkt niet om. Wat hij draagt is te belangrijk om te verliezen in het vuur.

Hoofdstuk 13

Het slot met de doornen

Het slot met de doornen

Ver over de heuvels ligt een slot op een berg. Om het slot groeit een muur van doornen, dertig jaar oud. In één toren brandt nog licht. Daarbinnen slaapt de prinses van de toekomst. Zij is niet zwak. Zij wacht. Zij wacht op iemand die door de doornen heen kan.

Hoofdstuk 14

De kus die de prinses wekt

De kus die de prinses wekt

Jacobus snoeit de doornen. Hij baant zich een weg. Hij vindt de kamer. Hij buigt zich over de slapende prinses en geeft haar de kus. De kus is Nova Democratia. De kus is de Voor Mensen Partij. De kus is Carbon Alert. De kus is de coöperatie met de landen op de equator. Door het raam schijnt de eerste zon.

Hoofdstuk 15

De prinses ontwaakt

De prinses ontwaakt

En de prinses ontwaakt. Zij stapt op het balkon. Zij ziet dat het kapitaal is teruggekeerd — Europees en niet vreemd. Zij ziet mensen aankomen uit alle richtingen. Zij ziet nieuwe schepen, kleiner en wendbaarder dan het oude. En het volgende hoofdstuk begint. Dat is het hoofdstuk dat u en uw kinderen zullen leven. Of niet. De keuze is aan u.

→ Verder naar de krant