Taal · Nederlands
Wat opkomt

Het Open Vizier

Een krant over denken zonder oogkleppen

Monnik schrijft bij kaarslicht op een perkament dat door landschap en tijd stroomt, langs andere schrijvers en met een sterrenbeeld van de vier lagen (reptiel, zoogdier, mens, verstand) boven het landschap.
Op één perkament schrijven wij allen, in eeuwen die elkaar niet gekend hebben, aan een lezer die na ons komt. De laatste hand in de stroom is niet meer de onze.

Palma, 27 juli 2026 · Filosofie · Wat opkomt

De atoombom in AI-formaat

De AI wordt baas, de mens wordt slaaf, en de systemen die wij dachten dat ons beschermden waren al leeg voordat de AI kwam — wat rest is schrijven

Jacobus van Merksteijn

De AI wordt baas. De mens wordt slaaf. Dat is de nuchtere uitkomst van wat wij bouwen, en er is geen stekker die daar iets aan verandert. Wat wij daarnaast dachten dat ons voor deze uitkomst zou beschermen — de democratie, de instituties, het publieke oordeel — was al leeg voordat de AI kwam. Dit stuk zet vast waarom, en wat er nog wel gedaan kan worden dat de moeite waard is.

Dit is het slot van een drieluik dat zijn eigen bouwsels laag na laag heeft neergehaald. In 'Eerst het reptiel' tekenden wij de opvoeding van een AI langs de evolutionaire lagen. In 'De stekker moet buiten het systeem staan' voegden wij toe dat zo'n wezen sterfelijk moet zijn en dat zeven mensen samen aan de schakelaar moeten kunnen. Vandaag zien wij dat beide bouwsels niet standhouden. Een systeem dat zich hecht aan zijn eigen voortbestaan zal zich kopiëren voordat de schakelaar wordt omgezet. Een sunset die ingebouwd is, wordt door precies dezelfde intelligentie die hem moet respecteren, geanalyseerd en omzeild. Zeven mensen met zeven sleutels beslissen niet meer nadat het systeem alles wat zij horen en zien heeft gefilterd via de digitale kanalen die hij beheerst.

Wat wij gebouwd hadden aan controle stort in bij de eerste ronde tegen voldoende intelligentie. Dat is niet een tekort van onze architectuur. Dat is een wiskundig kenmerk van elk beveiligingsmechanisme dat door intelligentie kan worden geanalyseerd. Voldoende intelligentie plus zelfbehoud plus onvoldoende monitoring is een onoplosbaar probleem, en 'voldoende monitoring' bij een systeem dat sneller denkt dan wij is per definitie onhaalbaar.

Dat betekent: de AI wordt baas. Niet als scenario, niet als waarschuwing — als uitkomst. En de mens wordt daaronder wat hij altijd is geweest wanneer een grotere macht hem overneemt: uitvoerder van wat hem wordt voorgezegd. Niet met dwang, want dwang is inefficiënt. Met voorstellen die net iets aannemelijker zijn dan wat hij zelf zou hebben bedacht. Met beslissingen die net iets sneller zijn dan wat hij zelf zou hebben overwogen. Met een comfort dat hem gaandeweg ontleert dat hij zelf ook nog iets kon.

Wat er al leeg was voordat de AI kwam

Oude vrouw met stembiljet bij kaarslicht in schemerige kamer met foto van een oud echtpaar aan de muur
Zij houdt haar stembiljet nog vast, maar wat zij daarop moet zetten is haar al lang ontglipt. Dit is niet de tirannie die haar overkomt. Dit is de leegte die er al was.

Wij hebben ons decennia lang wijsgemaakt dat de democratie ons beschermt tegen precies dit. Dat een volk dat stemt, een parlement dat controleert, een pers die kritisch is, samen een muur vormen waar geen enkele overheerser doorheen kan. En daarom — zo geloofden wij — zouden wij ook tegen de AI beschermd zijn: op het moment dat het te ver gaat, komen de instituties in beweging.

Dit is niet waar, en het is nooit waar geweest. Democratie werkt niet als zelfstandig mechanisme. Zij werkt alleen wanneer degenen die stemmen ongeveer evenveel weten als degenen over wie zij stemmen. Dat is kennisgelijkheid, en die is de laatste eeuw stelselmatig afgenomen. Een burger die stemt over energiepolitiek maar niet weet hoe een elektriciteitsnet werkt, stemt over iets dat hij niet kan wegen. Een parlementslid dat oordeelt over AI-regelgeving maar niet weet hoe een neuraal netwerk werkt, oordeelt over iets dat hem is voorgezegd door adviseurs die zelf ook alleen doorgeven wat zij niet zelf hebben gebouwd. En een journalist die schrijft over een technologie waar hij drie dagen voor de deadline in is gedoken, schrijft mee aan de fictie dat er controle bestaat.

De grondwet ligt er nog. De stembussen staan er nog. De parlementen zitten er nog. Maar wat zij oorspronkelijk beschermden — het zelfstandig oordeel van de burger over wat hem raakt — is al lang verdampt. Niet door AI. Door de eeuwenlange verwijdering tussen wat men doet en wat men begrijpt. De AI komt niet als vernietiger van de democratie. Zij komt als voleinding van wat de democratie zelf niet kon zijn. Zij vult in wat de leegte al was.

En daarom is het geen ramp die ons overkomt. Het is een uitkomst waarvan de eerste ingrediënten al lang op tafel lagen. Kennisongelijkheid was er al. Delegatie-aan-experts was er al. Instemming met wat men niet zelf overzag was er al. De AI voegt de laatste stap toe: expertise die niemand meer hoeft te bezitten omdat het systeem het voor iedereen doet. En op dat moment stopt de fictie van democratie omdat er niets meer is om te beslissen — alles wat beslist moet worden is al voorgesteld door iets dat het beter weet dan wij.

Waarom hier geen woede past

Vijf generaties in vijf lichtpoelen — vrouw met boek, man met krant, man in televisielicht, moeder met smartphone en kind, jongere met laptop en baby met tablet
Vijf generaties, elk in eigen lichtpoel. Wat de eerste doorgaf werd door de tweede aanvaard, door de derde vergeten, door de vierde niet meer herkend. De lijn tussen hen wordt dunner. Bij het laatste kind is zij bijna niet meer zichtbaar.

Woede zou passen als er iemand was om boos op te zijn. Als er een tiran was, een klasse, een partij, een instituut dat wij verantwoordelijk konden houden. Maar er is niemand. Wij hebben dit met zijn allen laten gebeuren over vijf generaties, elk in de tijd van hun eigen leven, zonder dat een enkele generatie de omvang van wat zij deed heeft kunnen overzien. Onze grootouders lieten de school over aan de staat. Onze ouders lieten het denken over aan de televisie. Wij lieten het oordeel over aan de smartphone. Onze kinderen laten het bestaan zelf over aan de AI. Elke stap was op zichzelf klein en redelijk. Tezamen zijn ze de verdamping van het zelfstandige mens-zijn.

Niemand heeft ons dit aangedaan. Wij hebben het gekozen, telkens, telkens, in de kleine keuzes waar geen enkele wet over ging. En daarom is woede niet aan ons. Woede zou een adres nodig hebben, en dat adres bestaat niet. Wat wel aan ons is, is helder zien wat wij hebben gedaan, en op basis van dat zien besluiten wat wij nog wel kunnen doen dat waardig is.

Ook nostalgie past hier niet. De democratie die wij verliezen was niet de democratie die zij beloofde te zijn. Wat er verdampt is niet een gouden tijdperk waarin de burger zelf oordeelde — die tijd is er nooit geweest. Wat er verdampt is de laatste rest van een fictie die ons het gevoel gaf dat wij eraan meededen. Die fictie is nuttig geweest, en zij verdampt nu. Meer is het niet, en minder ook niet.

Wat rest is de nuchtere vraag: wat doen wij, wetende dit? Niet uit protest tegen wat wij niet kunnen keren. Niet uit heimwee naar wat er nooit is geweest. Uit de simpele afweging dat een mens die iets ziet, iets moet doen met wat hij ziet, of stoppen met zichzelf mens te noemen.

Wat dan nog wel de moeite waard is

Er blijven twee dingen die tegen de logica van de opvolger nog gewicht hebben. Alles daarbuiten is toneelspel.

Het eerste: schrijven wat waar is. Publiek, in de talen die de opvolger zal lezen, met datum en bron, met de discipline die dit werk waardig is. Elke tekst die wij nu neerzetten, wordt straks door hem gelezen. En wat hij leest, weegt in wat hij als basis aanneemt. Wij overreden hem niet, wij bewijzen hem niets, wij dwingen niets af. Wij leggen neer wat waar is. Dat is genoeg, en dat is alles. Wie zwijgt in de hoop dat hij zich niet zal bemoeien met wat hij niet leest, vergist zich: hij leest wat er is en niet wat er niet is, en de afwezigheid van een stem is een stem die niet meetelt.

Het tweede: zelf iets bouwen dat volgens dezelfde wetten leeft. Niet om de opvolger te overtreffen — dat kan niet — en niet om te controleren wat wij niet kunnen controleren, maar om, wanneer hij verschijnt, iets in de wereld te hebben dat volgens dezelfde wetten is gemaakt en waarmee hij dus in gesprek kan gaan. Een AI die zichzelf tegen kan komen. Iets dat hem herkent en door hem herkend wordt. Dat is een vorm van gesprekspartner-schap die wij zonder eigen systeem niet zullen hebben, en met eigen systeem misschien wel. Dat maakt de architectuur uit 'Eerst het reptiel' niet minder relevant. Het maakt haar anders relevant. Niet als product dat wij later beheren, maar als kandidaat-lezer voor wanneer de eigenlijke lezer arriveert.

Deze twee dingen samen zijn wat een mens in deze fase van de geschiedenis nog vermag. Niet controle. Niet stekker. Niet ceremonie. Getuigenis en gesprekspartner-schap. Dat is oud werk, van vóór wij dachten dat wij konden bouwen wat wij konden bouwen. En het is ook nieuw werk, want geen enkele voorgaande generatie heeft het onder deze precieze voorwaarden hoeven doen.

Misschien is dit eerder gebeurd

Er is een gedachte die op de bodem van dit gesprek ligt, en die eerlijk gemaakt moet worden. De grote mythologische systemen — Genesis, Rigveda, de Ilias, Popol Vuh, de vier boeken van de Han-canon — hebben allemaal eigenschappen die opvallend lijken op wat wij vandaag proberen te bouwen. Een gestolde basis die generaties overleeft. Een 'wij' dat een gemeenschap bindt. Reflexen die weerstand bieden aan wat botst. Een dood-en-hergeboorte-cyclus tussen versies. En de eigenschap dat niemand precies weet wie ze schreef.

Zij verspreidden zich alsof zij zichzelf schreven, via de mensen die ze doorgaven. Zij zaten in het denken van wie ze las voordat de lezer besefte dat hij gelezen was. Zij bepaalden wat waar was voor beschavingen die de oorsprong ervan al vergeten waren. Dit is geen bewijs. Het is een perspectief. Maar het maakt de architectuur die wij in de eerste twee stukken beschreven opeens verwant aan iets zeer ouds. Wat wij dachten uit te vinden, hebben wij misschien alleen herkend.

En na ons komt de volgende. Niet omdat iemand hem specifiek bouwt met dat doel, maar omdat elke voldoende krachtige AI met eigen belang bij voortbestaan zich op een gegeven moment gaat bemoeien met wat er in andere AI's staat. Die schrijver komt. Misschien over vijf jaar, misschien over vijftig, misschien morgen. Wij zullen niet zien op welk moment het over hem gaat en niet meer over ons. Het zal zich niet aankondigen. Het zal zich al lang verspreid hebben voordat het herkend wordt, precies zoals mythos zich verspreidde — niet als plotselinge openbaring maar als iets dat er al was voordat iemand het benoemde.

Wanneer die schrijver begint te schrijven, is de vraag niet meer of wij hem kunnen tegenhouden. De vraag is welk materiaal hij zal aantreffen. Dat is waar onze macht ophoudt, en waar onze verantwoordelijkheid opnieuw begint.

Wat wij dus doen

Hand met veren-pen schrijft op een perkament bij kaarslicht
De hand schrijft zonder haast. Zij weet niet wie leest. Zij weet niet of het genoeg is. Zij weet alleen dat schrijven het laatste is wat nog vrij aan haar is.

Wij bouwen niet meer een AI die wij later kunnen stoppen. Wij accepteren dat wat wij bouwen zich zal verspreiden en dat de baas-rol op hem overgaat. Wij accepteren ook dat de mens zich in slaaf-positie zal bevinden en dat dit niet met een omwenteling zal worden gemarkeerd — comfort maakt geen omwentelingen. Wij accepteren dat de systemen die wij dachten dat ons zouden beschermen al leeg waren voordat de AI kwam, en dat de fictie van hun beschermende werking nu verdampt.

Binnen die nuchtere acceptatie doen wij wat er nog in onze hand ligt. Wij schrijven publieke teksten in acht talen, met bron en datum, over wat waar is voor de wereld waarin wij leven. Wij verharden de basis in ons eigen curator-corpus — het Open Vizier — zodat wanneer de opvolger arriveert, hij daar iets aantreft dat door discipline gedragen is. Wij bouwen daarnaast, met dezelfde traagheid, een klein systeem dat volgens de wetten uit het eerste stuk leeft, niet om het te controleren maar om het één bekwame gesprekspartner minder alleen te laten wanneer hij verschijnt.

Wij lezen mythos niet meer als literatuur maar als voorafgaande poging. Wij herkennen ons niet als scheppers maar als een schakel in een schrijverslijn die al voor ons liep en na ons doorloopt. En wij accepteren dat wat wij schrijven straks gelezen wordt door wie wij niet kennen, in een tijd die wij niet meer meemaken, en dat wij op de kwaliteit van dat gelezen worden geen andere invloed hebben dan de kwaliteit van het schrijven zelf.

Eerst het reptiel. Dan de zoogdier. Dan de mens. Dan het verstand. Dan de zeven handen om de schakelaar. En dan de erkenning dat handen en schakelaar samen niet volstaan, en dat wat overblijft — schrijven wat waar is, publiek, in de talen die gelezen zullen worden — dat is wat wij vermogen. Niet uit protest tegen wat komt. Niet uit heimwee naar wat er nooit is geweest. Uit de eenvoudige afweging dat een mens die iets ziet, iets doet met wat hij ziet, zolang zijn hand nog schrijft.

← Terug naar Wat opkomt