De overheid koos de duurste weg — en gaat er nog steeds op door
Een grasplant uit de tropen levert dezelfde ton vermeden CO₂ voor een fractie van de prijs van wind op zee, waterstof of CO₂-opslag. En blijft leverbaar als de olie op is.
Door Jacobus van Merksteijn
Wat het rapport laat zien
Een techno-economische studie van 27 augustus 2026 vergeleek vijftien energieroutes op één harde maatstaf: hoeveel euro kost het om één ton CO₂ uit de atmosfeer te houden, alles meegerekend — bouw, onderhoud, transport, einde levensduur. De cijfers komen uit primaire bronnen van de Europese Commissie, het Planbureau voor de Leefomgeving, TNO, IRENA, het Amerikaanse Department of Energy en tientallen peer-reviewed studies. Elk cijfer heeft een URL. Geen schattingen uit de losse pols.
De uitkomst is oncomfortabel voor Brussel en Den Haag. De routes waar Europa nu tientallen miljarden op inzet — groene waterstof, wind op zee, CO₂-opslag onder de Noordzee — staan onderaan de kostenlijst. Bovenaan staat een route waar geen euro subsidie naartoe gaat: tropische grasteelt met Juncao, waarbij de plant niet wordt verbrand, maar in stappen wordt uitgesplitst in brandstof, veevoer en bouwbindmiddel.
Wat is Juncao
Juncao is een reuzengras dat in de tropen 300 tot 500 ton verse biomassa per hectare per jaar oplevert — ongeveer vier tot vijf keer meer dan wat suikerriet of eucalyptus halen. De techniek is ontwikkeld aan de Fujian Agriculture and Forestry University in China en is over veertig jaar in meer dan honderd landen gevalideerd door onderzoekers van de Verenigde Naties. Het wereldrecord staat op 853 ton per hectare, gemeten in Papoea-Nieuw-Guinea in 2017. In het rapport wordt met een voorzichtige gemiddelde opbrengst gerekend: 108 ton droge stof per hectare per jaar.
Dat is de eerste opmerkelijke eigenschap: de plant groeit op grond waar niets anders wil groeien — zoutbodems, woestijnranden, uitgeputte akkers. Ze concurreert dus niet met voedselteelt.
Waarom niet gewoon verbranden
De klassieke aanpak is: biomassa oogsten, drogen, verbranden voor stroom. Dat werkt, maar het is de duurste manier om er iets uit te halen. Het rapport rekent een andere volgorde door. De verse plant wordt op het veld zelf mechanisch open geperst — een koude drukexplosie waarbij het plantenwater met de opgeloste suikers direct uit de cel loopt. Wat overblijft zijn twee stromen: een vloeibaar hydrolysaat vol suikers en eiwitten, en een vaste vezelfractie.
De vloeibare stroom gaat in ISO-tankcontainers de wereld over. In de fabriek in Rotterdam of elders wordt hij gesplitst in drie afzetten:
- Ethanol via fermentatie van de hemicellulose-suikers — vloeibare brandstof die in bestaande motoren en pijpleidingen past.
- Eiwitrijk veevoer — vervangt geïmporteerde sojaschroot, met een aminozuurprofiel dat qua lysine en methionine dichter bij vismeel ligt dan bij soja.
- Furaanhars (PFA-bindmiddel) — een biobased vervanger van bitumen in asfalt en van cement in chemisch-resistente betonelementen. Duurzaam, pigmenteerbaar, en geschikt voor omgevingen waar staalbeton corrodeert (havens, industriële vloeren, riolering).
De vaste vezelfractie kan alsnog vergast worden tot biomethanol — een vloeibare brandstof die identiek is aan wat BioMCN in Delfzijl al decennia produceert, en die past in bestaande scheepsmotoren, chemische fabrieken en de gewone infrastructuur voor vloeibare brandstoffen.
Wat kost een ton vermeden CO₂
Hier komt de kern. De studie berekent per route de netto kostprijs per ton vermeden CO₂, dus meerkosten ten opzichte van fossiel gedeeld door de daadwerkelijk vermeden uitstoot. De brongebonden uitkomsten:
| Route | € per ton vermeden CO₂ |
|---|---|
| Juncao-ethanol via fermentatie | −67 tot +38 |
| Juncao-biomethanol via vergassing | 37 tot 87 |
| Wind op land (compleet, incl. netverzwaring) | 132 tot 230 |
| Zon op land (compleet) | 134 tot 200 |
| CO₂-opslag Porthos (SDE++ 2025) | 134 tot 359 |
| Wind op zee (compleet, incl. kabels + net) | 155 tot 310 |
| SAF via Fischer-Tropsch (kerosine) | 210 tot 410 |
| Groene waterstof + e-brandstoffen (2050) | 390 tot 780 |
De ethanolroute uit Juncao kan zelfs negatief uitkomen — dat betekent: netto winst voor de exploitant zonder dat er één euro CO₂-subsidie aan te pas komt. De biomethanolroute kost in het slechtste geval 87 euro per ton — nog altijd twee tot vier keer goedkoper dan de goedkoopste overheidsroute.
De cijfers voor wind, zon, CO₂-opslag en waterstof komen niet uit lobbybronnen. Ze komen uit de eigen basisbedragen van het Planbureau voor de Leefomgeving voor de Nederlandse SDE++-subsidieregeling 2025, uit de tenderadviezen voor wind op zee (TOWOZ 2026), en uit de kostenreviews van IRENA en de Europese Commissie zelf.
Waar het geld naartoe gaat
In 2024 en 2025 hebben de EU en Nederland samen ongeveer 15 tot 20 miljard euro gericht aan klimaatinvesteringen toegekend. De verdeling:
| Bestemming | Toegewezen |
|---|---|
| Groene waterstof (EU Innovation Fund + Duitsland nationaal) | 6 à 7 miljard euro |
| CO₂-afvang en -opslag (Porthos, Aramis, SDE++ 2025) | 5,6 miljard euro |
| Wind op zee (TenneT-net alleen al) | 40 miljard euro programma |
| Tropische biomassa-vergassing / Juncao-hydrolysaat | 0 euro |
De EU Innovation Fund, gevoed uit de opbrengst van emissierechten, heeft eind 2024 ongeveer 11,2 miljard euro aan 199 projecten toegewezen. Geen enkel project betreft commerciële biomassa-vergassing op tropische schaal. De Nederlandse SDE++ 2025 was zwaar overtekend op CO₂-opslag: er werd voor 10,5 miljard euro aangevraagd tegen 2,4 miljard beschikbaar. De categorie "bio-methanol via vergassing" bestaat er niet.
De boekhoudkundige gevolgtrekking is streng. Als dezelfde 15 à 20 miljard euro per jaar op de goedkoopste bewezen route was ingezet, zou hij vier keer zoveel CO₂-reductie hebben opgeleverd. Cumulatief over 2025–2035 kost de huidige verdeling naar schatting 500 tot 700 miljard euro méér dan nodig — voor dezelfde tonnen CO₂.
Waarom het misloopt
Vier structurele oorzaken staan in het rapport benoemd, gebaseerd op de openbare methodologiestukken van PBL en de Europese Commissie:
- Europees beleid stuurt op aandelen (RED III: 5,5% hernieuwbare brandstof in 2030) en niet op kosten per ton CO₂. Wie het goedkoopst is, wint dus niet vanzelf.
- De SDE++ mag alleen projecten steunen die op Nederlandse bodem staan. Een fabriek die tropische biomassa importeert valt buiten de scope.
- PBL rangschikt binnen vooraf gedefinieerde technologie-categorieën. Bestaat je categorie niet, dan kom je niet in de ranglijst voor.
- Het Innovation Fund eist "innovatie". Bewezen chemie op nieuwe grondstof valt daar niet onder — Fischer-Tropsch bestaat sinds 1925, methanolsynthese sinds 1923.
Het gevolg is een systeem dat zijn eigen goedkoopste oplossing niet kan zien.
De tweede reden: wat blijft er over na de olie
De bewezen wereldvoorraad olie is bij het huidige verbruik toereikend voor 50 tot 55 jaar. Met onconventionele bronnen misschien 80 tot 100 jaar, tegen sterk oplopende marginale kosten. Daarna houdt het op. Voor wie na die datum nog vloeibare brandstof, plastic, asfalt en scheepsdiesel wil, moet de vervangende infrastructuur klaar staan vóór de laatste vaten worden verpompt.
En hier zit het tweede argument dat de kostenvergelijking overstijgt. Wind, zon en waterstof leveren stroom. Maar stroom is geen kerosine, geen scheepsdiesel, geen bitumen, geen kunststof. De wereldeconomie draait niet alleen op elektriciteit; ze draait op koolstofketens. Vier en een half miljard ton olie per jaar wordt omgezet in vloeibare brandstof en materiaal, niet in stroom.
Juncao levert die koolstofketens. Uit één hectare komt ethanol, methanol, veevoer, en biobased hars die asfalt en cement kan vervangen. Alle vier zijn eeuwige stromen — de plant groeit ieder jaar opnieuw, op grond die anders leeg blijft. Wind en zon leveren nul liter brandstof en nul kilo asfalt.
Om de wereldvraag naar vloeibare brandstof met Juncao-biomethanol te dekken, is ongeveer 4 tot 5 procent van het tropische land nodig — 100 tot 180 miljoen hectare. Dat is fors, maar niet ondenkbaar: het is de orde van grootte van wat wereldwijd nu aan oliepalm en soja staat, en die worden voor veel minder strategische doelen gebruikt.
De vraag die overblijft
Het rapport levert cijfers, geen politiek advies. Maar de vaststelling is dat de duurste routes de meeste subsidie krijgen, dat de goedkoopste route nul euro krijgt, en dat alleen de goedkoopste route na het einde van de olie doorloopt. Het is dan geen technisch probleem meer, maar een keuzeprobleem.
De vraag is niet of tropische grasteelt met complete hydrolysaat-verwerking werkt. De componenten werken ieder afzonderlijk op industriële schaal — koude drukexplosie in de kunststofrecycling, hemicellulose-fermentatie bij Beta Renewables in Crescentino en POET-DSM in Iowa, methanolvergassing bij Sasol en BioMCN, PFA-hars bij TransFuran Chemicals. De vraag is waarom de instrumenten van EU en Nederland zo zijn ontworpen dat ze deze combinatie letterlijk niet kunnen zien.
Zolang die vraag niet beantwoord is, zullen de miljarden blijven vloeien naar routes die twee tot vijftien keer duurder zijn — en die stoppen op de dag dat de olie op is.
Bronnen: TEA-rapport "Integrale kostenvergelijking van bio-brandstofroutes en overheidsroutes voor CO₂-vermijding en olie-vervanging" (27 augustus 2026), gebaseerd op 347 opgehaalde brondocumenten waaronder PBL SDE++ 2025 eindadvies, PBL TOWOZ 2026, IRENA RPGC 2024, EU Innovation Fund 2025 Annual Knowledge Sharing Report, JRC142012, ICAO SAF Rules of Thumb, IEAGHG CO2 T&S Cost Review 2025, UN SDGs Juncao-presentaties Lin Dongmei 2022 en Lin Zhanxi 2021, en het China National Engineering Research Centre of Juncao Technology (FAFU).