De prikkel die we bij één groep uitschakelen
Waarom bedrijven vertrekken, migranten komen, en onze eigen onderklasse blijft staan.
Jacobus van Merksteijn
De cijfers van het tweede kwartaal van 2026 tonen een economie waarin de private productieve kern krimpt en de overheidsconsumptie de groei draagt. In het vorige artikel is die compositie ontleed. De vraag die daaruit volgt is niet economisch maar antropologisch: waarom passen sommige groepen zich aan onder druk, en andere niet?
Het antwoord is eenvoudiger dan de nationale discussie doet vermoeden. De prikkel om te bewegen naar waar arbeid of kapitaal iets kan verdienen is universeel. Hij werkt bij fabrieken, hij werkt bij migranten, hij werkt bij zzp’ers. Hij werkt overal waar we hem niet expliciet uitschakelen.
Dezelfde drijfveer, drie bewegingen
Op wereldschaal produceert die prikkel drie bewegingen die vaak apart worden besproken maar dezelfde motor hebben.
De eerste beweging is bedrijven die het land verlaten. Shell verplaatste in 2022 het hoofdkantoor naar Londen, Unilever ging al eerder, DSM-Firmenich koos Zwitserland. ASML dreigde openlijk met uitbreiding elders vanwege het belasting- en migratieklimaat. Op Chemelot bouwden OCI en Nobian delen van hun productie af of verplaatsten die naar de Verenigde Staten en het Midden-Oosten, omdat energieprijzen en stikstofruimte daar productie wél toelaten. Het zijn geen ideologische keuzes. Het zijn kasstroomkeuzes. Waar de rekensom onder nul zakt, verplaatst het geld zich naar waar hij weer boven nul komt.
De tweede beweging is Afrikaanse migranten die naar Europa komen. Exact hetzelfde mechanisme, andere richting. Wie in Mali, Senegal of Nigeria niet uit zijn arbeid een leefbaar inkomen kan halen, beweegt naar waar dat wél kan. De reis via de Sahel en de Middellandse Zee is levensgevaarlijk. Dat mensen die reis toch maken bewijst hoe sterk de prikkel is. Het is dezelfde beweging als een fabriek die naar Texas verhuist, alleen met veel hogere transactiekosten en veel minder juridische bescherming.
De derde beweging is die van de Nederlandse uitkeringsgerechtigden. En hier zien we het omgekeerde: geen beweging. Niet omdat er geen betere plek zou zijn, maar omdat het verschil tussen bewegen en niet-bewegen is dichtgesmeerd. Wie niets doet, verliest niets. Wie wel beweegt, wint marginaal. De groep die de beweging nog zou kunnen maken, maakt hem niet.
Wat de vergelijking bewijst
De drie groepen samen laten zien dat de prikkel neutraal is. Hij werkt in Afrika, hij werkt bij multinationals, hij werkt bij zzp’ers en migranten die wél stappen zetten. Het is geen moreel oordeel over luiheid of vlijt. Het is een mechanisch verschijnsel: waar verlies bijt, ontstaat beweging.
De asymmetrie zit niet in de mensen. Ze zit in het beleid. Voor bedrijven laten we het verlies vol aankomen — dus verhuizen ze, of ze vernieuwen. Voor Afrikaanse migranten laten we het verlies vol aankomen — dus komen ze, met alle problemen die dat oplevert voor herkomst- en aankomstlanden. Voor eigen inwoners in de onderklasse dempen we het verlies zo grondig dat de beweging stopt. Vervolgens verbazen bestuurders en commentatoren zich dat de eerste groep vertrekt, de tweede groep komt, en de derde groep blijft staan. Terwijl alle drie precies doen wat de mechaniek voorspelt.
Wat er bij die derde groep is gebeurd
Bij bijstand, WW en arbeidsongeschiktheid is de feedback-lus stelselmatig doorgesneden. De Participatiewet uit 2015 was bedoeld om activering te versterken. De evaluatie door SCP en CPB uit 2019 concludeerde dat het aantal mensen dat uit de bijstand naar werk stroomt niet significant is gestegen, terwijl de instroom van jonggehandicapten in de bijstand fors toenam. De sollicitatieplicht en tegenprestatie bestaan formeel, maar de handhaving is grotendeels weggevallen. Divosa-onderzoek laat zien dat een groot deel van de gemeenten de tegenprestatie niet of nauwelijks uitvoert. De boodschap die aankomt bij de ontvanger: er gebeurt niets als je niets doet.
Bij de WW is de duur sinds 2016 stapsgewijs teruggebracht naar maximaal 24 maanden, en de opbouw versoberd. Dat is op papier een aanscherping van de prikkel. Maar de arbeidsmarkt is zo krap (werkloosheid rond 3,9 tot 4,2 procent) dat wie wil werken bijna direct werk vindt en wie niet wil de resterende maanden gewoon uitzit. De prikkel wordt daardoor nooit getest — de markt absorbeert het aan beide kanten.
Bij arbeidsongeschiktheid is de trend het scherpst. De WIA-instroom in 2025 was volgens het UWV de hoogste sinds de invoering in 2006, met sterke groei van 55-plussers en van psychische diagnoses. Het CPB waarschuwde in juni 2026 dat het stelsel zonder ingreep financieel onhoudbaar wordt. De beoordelingscapaciteit van UWV is zo overbelast dat mensen jaren op keuring wachten. In die wachttijd is er geen re-integratieprikkel: de status is onbeslist, maar de uitkering loopt.
De rekening staat aan de andere kant van de balans
Een deel van de 2,5 procent groei van de overheidsconsumptie in Q2 2026 — de motor onder het «rampscenario’s blijven uit»-cijfer — bestaat uit precies de uitkeringen, zorguitgaven en publieke lonen die de derde groep in stand houden. De publieke sector fungeert daarmee als absorptievat voor arbeid die de private markt niet vraagt of niet kan betalen. Dat is geen kritiek op de mensen die die uitkering ontvangen. Het is een beschrijving van een stelsel dat door consequente dempingen de aanpassingslus heeft doorgesneden en die kosten vervolgens optelt bij de overheidsuitgaven die het BBP omhoog trekken.
We beschermen onze eigen mensen tegen precies de druk die de rest van de wereld gebruikt om vooruit te komen, en importeren vervolgens mensen die die druk wél hebben gevoeld. Netto verhuist het aanpassingsvermogen naar buiten en het passieve deel naar binnen.
Wat een eerlijke rekensom laat zien
Bedrijven die geen antwoord vinden op verlies verhuizen of sluiten. Migranten die geen verdienmogelijkheid hebben verplaatsen zichzelf. Uitkeringsgerechtigden die geen verlies voelen bewegen niet. Alle drie de bewegingen volgen dezelfde regel. Alleen de derde is een beleidskeuze, en die keuze staat niet in de kop van de krant. Ze staat in de overheidsconsumptie-post die het BBP boven nul houdt.
Een economie die haar productieve kern laat krimpen, die haar meest ondernemende bedrijven ziet vertrekken, die de instroom in arbeidsongeschiktheid ziet stijgen naar recordniveaus, en die dat alles opvangt door de overheidsconsumptie 2,5 procent te laten groeien, is geen economie die «de rampscenario’s ontlopen» heeft. Ze is een economie die het aanpassingssignaal bij haar eigen bevolking heeft uitgezet, en de rekening daarvan aan de bestedingskant boekt. Het BBP-cijfer verbergt precies de dynamiek waar het door wordt aangedreven.