Gratis informatieblad zonder reclameOnafhankelijk, geen mening, geen verkoop van gegevensHoud mij op de hoogte →
Taal · Nederlands
Wat opkomt

Het Open Vizier

Een krant over denken zonder oogkleppen

Zandloper met daarin een Nederlands landschap dat naar beneden valt naar kinderen
De zandloper is gekeerd. Wat wij hebben opgestapeld, valt nu op onze kinderen.

Palma, 20 juli 2026 · Politiek-economisch drieluik · Editie 2 · Editie Nova Democratia

Eerlijkheid maakt regeren mogelijk

Laat de regering eerlijk zijn en de werkelijkheid op tafel leggen — een drieluik

Jacobus van Merksteijn

Sinds Balkenende heeft geen enkele Nederlandse premier hardop willen zeggen wat elke econoom in Den Haag privé weet: de 44 procent staatsschuld waarmee wij pronken is niet gelogen, maar zij is de helft van het verhaal. De werkelijke last die wij aan onze kinderen doorgeven ligt richting 250 procent van het bbp aan bruto verplichtingen. En dat is alleen nog de boekhoudkundige laag. Daaronder zit een nog grotere fout: wij hebben tegelijkertijd de productieve basis van ons land systematisch afgebroken. Kernenergie gesloten, energiekosten opgejaagd, industrie de deur uit gejaagd, opruimingskosten van wind en zon naar de toekomst geschoven, en op alle drie de bestuurslagen elke rem op de uitgaven losgelaten.

Waarom dit drieluik

Dit drieluik brengt die schuldbekentenissen bij elkaar. Niet als partijpolitieke aanval — iedere coalitie sinds 2002 heeft eraan meegewerkt, inclusief de partijen waar de meesten van ons ooit op stemden. Niet als oorlogsverklaring aan vakbonden of werkgevers — wij zaten allemaal aan dezelfde onvolledige tafel. Wel als feitelijke bodem voor het gesprek dat wij aan de cao-tafel, in de gemeenteraad, in Brussel en aan de eettafel moeten voeren. Zonder eerlijke cijfers geen eerlijke onderhandeling. Zonder erkenning geen mandaat voor de omslag die nodig is. En zonder omslag zadelen wij onze kinderen op met een land dat wij zelf niet meer zouden willen erven.

"Eerlijkheid maakt regeren mogelijk. Zolang wij de werkelijkheid verzwijgen, is elke onderhandeling een schaduwspel — en verliezen wij allemaal, ook diegenen die op korte termijn winst denken te boeken."

Het drieluik is opgebouwd rond één rode draad: doorschuiven. Maar voordat wij die schuld eerlijk kunnen bespreken, moeten wij de noemer repareren waarmee die schuld wordt uitgedrukt: het BBP zelf. Dat is Deel 0. Deel I gaat vervolgens over de statistische opsmuk waarmee wij de staatsschuld verstoppen — én over de €1.750 miljard pensioenpot die het beeld verzacht maar niet wegneemt. Een tussenhoofdstuk laat zien hoe Nederland zich verhoudt tot Frankrijk, België, Italië, Spanje, het VK en Griekenland; dat Europese beeld is de sleutel tot waarom juist Nederland het gesprek moet openen. Deel II laat zien hoe wij de industriële en energetische basis vernietigen en de opruimingskosten naar 2050 verplaatsen. Deel III toont dat wij — in tegenstelling tot Duitsland — op geen enkel bestuursniveau een grondwettelijke rem op de uitgaven hebben. Aan het slot: een uitnodiging tot samenwerking, ook met wie wij nu nog als tegenstanders zien.

Deel 0 — De verdoezelde noemer

Waarom elk schuldpercentage begint met de verkeerde deler

Elke keer dat wij zeggen "44% staatsschuld" of "110% netto eerlijke schuld", gebruiken wij dezelfde deler: het bruto binnenlands product. Wij nemen aan dat die deler de omvang van de Nederlandse economie meet — de productieve kracht waarmee wij onze schulden kunnen dragen. Maar dat aannemen is de eerste vergissing. Het BBP zoals CBS het rapporteert is geen meting van productie. Het is een optelling waarin drie soorten posten door elkaar staan:

De PBW-formule — wat er overblijft na correctie

Ik heb daarom een alternatieve maatstaf ontwikkeld: de Productieve Brede Welvaart (PBW). Het is geen ivoren-toren-alternatief; het combineert bestaande economische inzichten — Kuznets' waarschuwing (1962) dat het BBP nooit als welvaartsmaat bedoeld was, Okuns Wet (1962) over de kosten van werkloosheid, en Mazzucato's onderscheid tussen waardecreatie en waarde-extractie — tot één toetsbare indicator. De formule:

PBW = (BBP − Toegerekende huur − FISIM) × (Werkzaam / Beroepsbevolking) − Uitkeringen + Okun-correctie

Grafiek 0a toont de correctiestappen van officieel BBP naar PBW
Grafiek 0a — Van officieel BBP naar Productieve Brede Welvaart voor Nederland in 2024.

En dit is geen momentopname. Wanneer je de PBW terugrekent naar 2000 met CBS-tijdreeksen, zie je een structureel patroon: de dragende kern schommelt tussen 56% en 66% van het BBP, met een dip in 2010 (financiële crisis) en herstel richting 64% in 2024. Dat is niet een lineaire uitholling maar een indicator die meebeweegt met de gezondheid van de reële economie — en die ligt structureel 35 tot 44 procentpunten lager dan de gerapporteerde BBP-groei suggereert.

Grafiek 0b toont de historische BBP-PBW divergentie 2000-2024
Grafiek 0b — De divergentie tussen BBP en PBW is er niet pas sinds gisteren. Het is een structureel patroon dat we sinds 2000 kunnen meten.

Voor 2024 komt de PBW uit op €709 miljard62,9% van het officieel gerapporteerde BBP. Ruim een derde van wat wij "de Nederlandse economie" noemen, bestaat dus uit boekhoudkundige constructies, herverdelings-consumptie en oncorrecte omgang met menselijk kapitaal. Dat is geen fraude van CBS — zij volgen keurig het internationaal afgesproken System of National Accounts. Het is een politieke keuze om dat systeem als de waarheid te presenteren.

Wat de PBW doet met de schuldcijfers

Zodra je de PBW gebruikt in plaats van het officiële BBP als noemer, veranderen alle schuldcijfers dramatisch:

SchuldindicatorOmvang (mrd €)Op officieel BBPOp PBW
EMU-schuld (Laag 1)€500 mrd44%68%
Incl. vergrijzingscommittering (Laag 2)€740 mrd65%104%
Bruto impliciet totaal (Laag 3)€2.830 mrd250%400%
Netto eerlijke schuld (Laag 4)€1.243 mrd110%170%

PBW 2024: €709 mrd. Berekend als (BBP − TH − FISIM) × W/B − Uitkeringen + Okun-correctie.

De boodschap van dit deel is niet: gooi het BBP weg. De boodschap is: kijk naar beide. Wanneer een minister zegt "ons schuld is 44% van het BBP, ruim onder de EU-norm van 60%", klopt dat statistisch. Maar op de reële productieve basis is diezelfde schuld 68% van de PBW — boven wat wij zelf als grens hanteren. De vergrijzingscommittering (Laag 2) is op de PBW 104% — één op één met de productieve basis. En de netto eerlijke schuld is 170% van de PBW: meer dan anderhalf jaar productie van wat wij daadwerkelijk voortbrengen.

In de rest van dit artikel blijf ik voor de leesbaarheid de officiële BBP-percentages gebruiken, omdat dat de cijfers zijn die politici en journalisten hanteren. Maar in de vergelijkingstabellen zal ik consequent de PBW-alternatieven erbij tonen, zodat de lezer beide dashboards ziet. De rekening is groter dan het beleidsjargon suggereert — en het begint bij de deler.

"Distinctions must be kept in mind between quantity and quality of growth, between costs and returns, and between the short and long run. Goals for more growth should specify more growth of what and for what." — Simon Kuznets, 1962

Deel I — De Verstopte Rekening

Over de vier lagen van de Nederlandse staatsschuld en waarom 44% een halve waarheid is

De cijfers die officieel worden gecommuniceerd

Eind 2025 stond de Nederlandse staatsschuld op €524 miljard — precies 44,4 procent van het bbp. Het kabinet raamt voor 2026 een schuld van 46,6 procent, oplopend naar ruim 50 procent in 2031. In alle communicatie richting vakbonden, werkgevers en burgers wordt dit cijfer gebruikt als bewijs dat "Nederland het goed heeft gedaan" — ver onder de EU-norm van 60 procent, ver onder het EU-gemiddelde van 81,7 procent.

Dit cijfer is niet gelogen. Het is berekend volgens de Europese EMU-definitie en klopt tot op de laatste euro. Maar het is een momentopname van uitgegeven obligaties — niet van verplichtingen. En daar begint het verhaal.

Vier lagen: van 44% naar 110% eerlijke schuld

Grafiek toont Nederlandse staatsschuld in vier lagen
Grafiek 1 — Vier lagen van de Nederlandse staatsschuld. Zelfs na de pensioentegenpost bijna 2× de EU-norm.

Laag 2 — Reeds gecommitteerd, nog niet als EMU-schuld geboekt

Zodra je consolideert wat de overheid al heeft toegezegd maar nog niet als EMU-schuld boekt — meerjarenverplichtingen voor Defensie, het Klimaatfonds, Groningen-schadeafhandeling, stikstofuitkoopregelingen, het AOW-tekort dat structureel uit algemene middelen wordt gedekt, plus staatsgaranties en deelnemingen — kom je aanzienlijk hoger uit. De Studiegroep Begrotingsruimte adviseerde niet voor niets €7 miljard structurele bezuiniging om de schuld überhaupt te stabiliseren. Realistische schatting voor deze laag: circa 65 procent bbp.

Laag 3 — Impliciete verplichtingen bruto

Dit is de laag die politiek stelselmatig wordt weggemasseerd. De AOW en langdurige zorg worden grotendeels uit algemene middelen betaald zonder dat er dekking tegenover staat. Het CPB raamt zelf dat bij ongewijzigd beleid de schuld puur op EMU-basis oploopt naar 126 procent bbp in 2060. Reken je impliciete pensioentoezeggingen mee — de klassieke implicit pension debt — dan zit je bruto in de range van 200 tot 250 procent bbp. Het houdbaarheidstekort bedraagt volgens de Eerste Kamer 1,6 procent bbp per jaar, ofwel circa €16 miljard structureel te weinig. De WRR waarschuwt expliciet: pensioenen financieren via oplopende staatsschuld schuift de rekening door naar volgende generaties.

Laag 4 — Netto eerlijke schuld: 110% bbp

En dan komt de correctie die het beeld verzacht maar niet wegneemt. Nederland heeft dankzij zijn kapitaalgedekte tweede pijler verreweg het grootste pensioenvermogen van Europa: circa €1.750 miljard, ofwel 159 procent van het bbp. Bij een gemiddeld belastingtarief van 35 procent op pensioenuitkeringen claimt de overheid daarop een latente belastingclaim van circa 55 procent bbp — de omkeerregel zegt: premies onbelast, uitkeringen belast. Verder bezit Nederland staatsdeelnemingen (Schiphol, Gasunie, TenneT), infrastructuur en waardevolle publieke activa; historisch is bovendien €417 miljard aan aardgasbaten tussen 1969 en 2021 geïnd, waarvan een deel impliciet in publieke voorzieningen zit.

Netto — dus na aftrek van deze tegenposten — komt de eerlijke Nederlandse schuld uit op ongeveer 100 tot 120 procent van het bbp. Dat is nog altijd bijna twee keer de EU-norm van 60 procent, en meer dan tweemaal het officiële cijfer van 44 procent. Maar het is fundamenteel anders dan de kale 250 procent zonder correctie. En het is precies deze combinatie — hoge impliciete last mét substantiële tegenpost — die Nederland een unieke positie geeft in Europa.

De statistische opsmuk: toegerekende huur

Naast het verzwijgen van verplichtingen wordt ook de noemer — het bbp waarop de schuldquote wordt berekend — systematisch opgeblazen. Het CBS boekt de zogeheten "toegerekende huur" van eigen woningen voor €54 miljard per jaar in als productie van huishoudens, alsof huiseigenaren hun huis aan zichzelf verhuren tegen marktprijs. Bij een bbp van circa €1.100 miljard is dat 5 procent van het bbp dat puur boekhoudkundig bestaat: geen euro verhandeld, geen belasting geheven, geen dienst geleverd aan een derde.

Dit is geen typisch Nederlands trucje — de VS (6,2%), het VK (10%), Japan (10%) en Ierland doen hetzelfde onder de ESA-2010-standaard. Wat Nederland wel onderscheidt: Eurostat vond dat toegerekende huur in bijna alle EU-landen de inkomensongelijkheid vermindert — behalve in Nederland en Noorwegen, waar het de ongelijkheid juist vergroot. Zelfs de sociale rechtvaardiging faalt hier.

Tussenhoofdstuk — De Europese Spiegel

Waarom juist Nederland het Europese gesprek moet openen — de vier lagen voor twaalf landen

Voor je denkt dat wij het slecht doen: laat me een spiegel voorhouden. Wanneer je dezelfde vier lagen toepast op elf vergelijkbare Europese landen, kom je tot een beeld dat de Nederlandse politiek koste wat het kost buiten de communicatie houdt — maar dat feitelijk Nederland juist bevoegd maakt om als eerste de waarheid te vertellen.

Vergelijking netto eerlijke schuld twaalf Europese landen
Grafiek 2 — Twaalf landen vergeleken op officieel BBP (links) en op PBW (rechts). Nederland: laagste netto schuld dankzij pensioenpot; Noorwegen: negatief door GPFG; zuidelijke landen ver boven psychologische 100%-grens.
LandEMU-schuldPensioenpot (2e pijler)Netto eerlijk op BBPNetto eerlijk op PBW
Nederland44%159% bbp~110%~170%
Denemarken30%206% bbp~45%~76%
Zweden35%~90% bbp~50%~87%
Noorwegen (GPFG)55%490% bbp−335%−557%
Polen60%~9% bbp~231%~365%
Duitsland64%~7% bbp~333%~551%
VK103%100% bbp~240%~388%
België105%8% bbp~190%~356%
Spanje106%11% bbp~175%~325%
Frankrijk113%9% bbp~240%~485%
Italië138%11% bbp~245%~466%
Griekenland155%1% bbp~210%~379%

Bronnen: Eurostat Q4 2025; OECD Pension Markets in Focus 2025; Netspar/PSE/Cato Institute; Eurostat Pensions in national accounts 2024.

Wat opvalt — vijf inzichten

De Nederlandse positie is fundamenteel anders dan die van vergelijkbare Europese economieën. Vijf dingen springen eruit die het gesprek in Nederland zouden moeten kantelen:

"Onze pensioenpot maakt ons niet immuun. Zij maakt ons juist bevoegd om de waarheid te vertellen — omdat wij de enige zijn die haar kunnen dragen zonder dat het systeem implodeert."

Waarom dit de rol van Nederland is

Traditioneel is Nederland in Europa het land van de penningmeester — de kleinburgerlijke boekhouder van "houdt uw huis op orde". Dat is geen sterke rol in politieke onderhandelingen; Fransen en Italianen ergeren zich eraan, en terecht. Maar wanneer je de vier-lagenanalyse doet, wordt duidelijk dat Nederland een andere rol kan spelen: die van eerlijke makelaar. Wij zijn niet de zuinige boekhouder die de rest de les leest. Wij zijn de partij die als enige de eerlijke som durft te presenteren omdat wij als enige de tegenpost hebben opgebouwd om samen de weg terug te vinden.

Dat verandert het frame in Brussel volledig. In plaats van "Den Haag zeurt weer over begrotingsdiscipline", wordt het: "Nederland legt de Europese schuld eerlijk op tafel — inclusief de eigen 110% — en nodigt uit tot een gezamenlijk hervormingspad." Dat is een fundamenteel andere positie, en zij is voor het eerst sinds Kok politiek beschikbaar.

Waarom dit de loononderhandelingen vergiftigt

Terug naar de Nederlandse binnenlandse tafel. Het frame "wij zijn zuinig geweest, er is ruimte voor +X%" klopt alleen als je uitsluitend naar Laag 1 kijkt. Zodra Laag 2, 3 en zelfs Laag 4 op tafel liggen — 110% bbp netto — is er structureel géén ruimte voor het gebruikelijke cao-schema. Vakbonden ruiken dit, zonder de exacte cijfers te kennen. Werkgevers ruiken het ook. Het resultaat: iedereen aan tafel verdedigt zijn eigen positie op basis van cijfers waarvan iedereen weet dat ze onvolledig zijn. Dat is geen onderhandeling meer, dat is een schaduwspel.

44% zichtbaar, 65% gecommitteerd, 250% bruto verplicht, 110% netto na tegenposten — twee keer de EU-norm, en een houdbaarheidstekort van 1,6% bbp per jaar.

Dan is het gesprek niet meer "verdeel de winst", maar "verdeel de aanpassingslast". Een fundamenteel andere onderhandeling. En — cruciaal — een onderhandeling waarin vakbonden en werkgevers dezelfde kant kunnen kiezen: tegen doorschuiven naar de kinderen. Dat is een coalitie die vandaag nog niet bestaat, maar morgen mogelijk wordt zodra de cijfers eerlijk op tafel liggen.

Deel II — De Kinderrekening

Over kernenergie, dure alternatieven, opruimingskosten en de langzame moord op de Nederlandse industrie

De kernenergie-fout — Duitsland en Nederland

In april 2023 sloot Duitsland zijn laatste drie kernreactoren — Isar 2, Emsland en Neckarwestheim 2. Het officiële narratief luidt: geen prijsschokken, geen leveringsproblemen, meer hernieuwbaar, minder kolen. Op korte termijn technisch waar, want de industrie was intussen in recessie en de vraag was ingezakt. Zodra Duitsland uit de recessie kruipt, waarschuwt zelfs de DIHK (Duitse Kamer van Koophandel) dat het prijs-effect alsnog zichtbaar wordt.

De industriële realiteit is inmiddels genadeloos: BASF verplaatst 10 procent van zijn Ludwigshafen-productie naar China en de VS. ThyssenKrupp krimpt staalproductie. Volkswagen sluit voor het eerst in 87 jaar fabrieken in eigen land. Nederland heeft het formeel niet zo dramatisch gedaan — Borssele draait nog tot 2033 — maar wij hebben tussen 1997 en 2020 drieëntwintig jaar verspild waarin geen enkele nieuwbouw is gerealiseerd. Frankrijk exporteert momenteel 50 tot 90 TWh per jaar aan zijn buren tegen recordprijzen; grotendeels naar Duitsland en indirect naar ons. Wij betalen dus wel voor Franse kernenergie, we hebben alleen niet de opbrengst.

De opruimingsrekening naar 2050

Cumulatieve opruimingsverplichting Nederlandse wind- en zonneparken
Grafiek 3 — Cumulatieve opruimingsverplichting Nederlandse wind- en zonneparken tot 2050.

TNO becijfert €172.500 per MW voor de volledige verwijdering van een offshore-windpark. Nederland heeft nu circa 5 GW offshore wind, groeit richting 21 GW in 2030 en 50 GW in 2050. Dat betekent puur voor offshore-ontmanteling een toekomstige verplichting van €8 à €9 miljard — bovenop onshore wind en zon. Voor onshore-turbines schat de Amerikaanse Institute for Energy Research $100.000 tot $410.000 per turbine. Voor zonnepanelen laat RIVM zien dat de gangbare praktijk downcycling is: alleen het aluminium frame en de kabels worden hergebruikt.

En wie draait er op voor die rekening? Precies waar dit drieluik om draait: de kinderen. Het Amerikaanse National Center for Energy Analytics noemt het letterlijk: "consumers or taxpayers—not the owners—will likely be left to pay a significant portion of the $50 billion or more in future decommissioning costs". Ontmantelingsobligaties worden systematisch kwijtgescholden door regelgevers omdat projecten anders niet rendabel zijn — een structurele boekhoudkundige truc, precies analoog aan de impliciete staatsschuld uit Deel I.

De langzame moord op de industrie

Industriële elektriciteitsprijzen 2024
Grafiek 4 — Nederland betaalt structureel het dubbele van de VS en China voor industriële stroom.

De industriële elektriciteitsprijs bedroeg in Nederland in 2024 rond de 16 ct/kWh — twee keer zo hoog als in de VS en China (8 ct), twee keer die van Frankrijk (8 ct), en in dezelfde orde als het VK (22 ct) en Japan (20 ct). Een Nederlandse studie voor de Tweede Kamer laat zien dat Nederlandse baseload-industrieklanten in 2030 64 EUR/MWh meer betalen dan hun Duitse en Franse concurrenten, puur door het ontbreken van vrijstellingen voor netwerkkosten en heffingen.

Daaroverheen komt de stapeling van collectieve lasten. De collectievelastendruk steeg van 36,5% (2015) naar 39,5% (2021), zakte licht naar 38,9% (2022), en klimt sindsdien weer richting 40%. De buitengewone verhoging van het minimumloon in januari 2024 (+10,15%) verhoogde de arbeidskosten in industrie, zorg en land- en tuinbouw op één slag. Nederland heeft nu een van de hoogste minimumlonen in koopkrachtpariteit van Europa, terwijl de energie-intensieve industrie op vertrek staat.

Wat je vermoording van de industrie noemt heeft in economisch jargon een naam: structural energy cost disadvantage. Het IMF en de OESO wijzen Nederland en Duitsland hier expliciet op sinds 2023. Wij hebben tegelijkertijd de goedkoopste betrouwbare stroombron (kern) gesloten, de duurste variabele bronnen (wind en zon) gestapeld, de netwerk- en heffingskosten opgestapeld, én de arbeidskosten via minimumloon en collectieve lasten opgejaagd. Elke pijler afzonderlijk is te verdedigen. In stapeling is het industriële zelfmoord. En — dit is de brug naar Deel III — er is geen enkele wet die dit stopt.

Deel III — Zonder Rem

Over uitgavendrift op alle bestuursniveaus en het ontbreken van een Nederlandse Schuldenbremse

De Duitse rem — waarom die er niet in Nederland is

Sinds 2016 mag de Duitse federale overheid netto niet meer dan 0,35 procent van het bbp lenen. Dit is grondwettelijk verankerd in Artikel 115 lid 2 van het Grundgesetz — de zogeheten Schuldenbremse. In november 2023 verklaarde het Bundesverfassungsgericht een verschuiving van €60 miljard tussen fondsen als grondwettelijk ongeldig. Zelfs de Duitse regering kan dus niet vrijblijvend schuiven.

Nederland heeft dit soort constitutionele rem nooit ingevoerd. De Zalmnorm — een informele afspraak, geen wet — is stelselmatig losgelaten en wordt in NRC zelfs openlijk begraven. Sondervermögen-achtige constructies (Klimaatfonds, Nationaal Groeifonds, Defensiefonds) bestaan wel, maar ontsnappen aan gelijkwaardig grondwettelijk toezicht. En de historische aardgasbaten — €417 miljard tussen 1969 en 2021 — zijn grotendeels weggelopen in de algemene middelen zonder soevereine-vermogensfonds à la Noorwegen.

Gemeenten: uitgaven verdubbeld in vijftien jaar

Gemeentefonds groeit van 27,3 miljard in 2015 naar 49,1 miljard in 2029
Grafiek 5 — Zonder wettelijke rem: het gemeentefonds groeit met €1,6 miljard per jaar.

Het Gemeentefonds groeide van €27,3 miljard in 2015 naar €42,2 miljard in 2023 en groeit door naar €49,1 miljard in 2029 — een gemiddelde stijging van €1,6 miljard per jaar, structureel. De gemeentelijke uitgaven per inwoner stegen van €3.822 in 2023 naar €4.650 in 2025 — een verhoging van 22 procent in twee jaar. Totale gemeentelijke begroting 2025: €80 miljard, een verdubbeling sinds circa 2010. Voeg provincies en Rijk toe en er is geen enkele wet die zegt: dit is de norm per inwoner, hier houdt het op.

De drie niveaus zonder rem

BestuursniveauRem?Effect
RijksoverheidGeenZalmnorm losgelaten, geen grondwettelijke limiet, EU-norm 60% niet bindend gemaakt.
ProvinciesGeenProvinciefonds groeit ongehinderd mee, geen uitgavennorm per inwoner.
GemeentenGeen€3.822 → €4.650 per inwoner in twee jaar (+22%). Verdubbeling begroting sinds 2010.
Duitsland (federaal)Ja: 0,35% bbpGrondwettelijk verankerd sinds 2016. Handhaafbaar via Bundesverfassungsgericht.
Het is niet zo dat wij fouten hebben gemaakt. Wij hebben stelselmatig gekozen om geen keuzes te maken. Dat is het meest fundamentele verschil met Duitsland — en daar zit onze werkelijke schuld. Maar wat wij hebben verzuimd, kunnen wij vandaag repareren.

Deel III bis — De verboden vraag

Wat als we het gas weer aanzetten én Zuid-Groningen bouwen?

Zolang we bij een eerlijke bekentenis blijven staan, moeten we ook de meest controversiële vraag durven stellen: wat gebeurt er als Nederland zijn gasbronnen heropent én de Groningers eindelijk royaal beloont? Dit is politiek taboe geworden — en juist daarom moet het aan de kaak. Niet uit nostalgie, maar om aan te tonen dat zelfs deze meest wensdenkerige oplossing niet werkt zonder de andere hervormingen.

Wat zit er nog in de grond?

De harde geologische feiten: het Groningen-veld werd in april 2024 definitief gesloten, maar bevat nog ~470 miljard m³ winbaar gas. De kleine velden op land en op de Noordzee tellen ~71 miljard m³ aangetoonde reserves, met TNO-schattingen die daar 115 tot 150 miljard m³ geologisch potentieel bovenop leggen. EBN-directeur Van Hoogstraten stelde in april 2025: "There is still at least 100 Bcm of gas under the Dutch North Sea. This natural gas can make a major contribution to our energy independence.". Bij elkaar: 400 tot 770 miljard m³ — afhankelijk van hoe agressief de heropening en exploratie zijn. Alleen al de Groningen-voorraad is bij een gasprijs van €37/MWh circa €174 miljard bruto waard — bijna een op de zes procent van het huidige jaarlijkse bbp.

En dat is de behoedzame inschatting. SEB Research stelde in september 2025 het TTF-gemiddelde voor 2025 op €38,7/MWh, met een forecast van €34/MWh voor 2026 en €30/MWh voor 2027 zodra de LNG-golf uit de VS, Qatar en Canada aanlandt. Maar SEB waarschuwt tegelijk voor "higher for longer" door 2025-26: winter-krapte, opslag achter op vorig jaar, Noorse aanvoer beperkt door onderhoud, en Aziatische restocking die de Atlantische markt tightent. Elke stap-terug in Russisch LNG-import naar Europa duwt de prijs verder omhoog. En elke nieuwe boring op de Nederlandse Noordzee verhoogt de winbare voorraad. De vraag is dus niet of de voorraden meer waard worden dan we nu denken — maar hoeveel meer.

Vier scenario's doorgerekend

Grafiek toont vier gasscenario's naast huidige schuldpositie
Grafiek 6 — Netto eerlijke schuld onder vier gasscenario's, na aftrek van €85 miljard bewonerscompensatie en €35 miljard Markerwaard-investering.

De berekening gaat als volgt. Historisch inde de Nederlandse staat circa 70% van de bruto gasomzet via mijnbouwrecht, royalties, EBN-deelneming en vennootschapsbelasting. Bij 20% winningskosten en de historische verdeelsleutel komt de netto opbrengst voor de staat uit op de bruto omzet maal 0,56. Trek daar de €85 miljard bewonerscompensatie plus €35 miljard Markerwaard-investering vanaf, en tel de €14 miljard belastingretour uit de bbp-multiplier op, en dit blijft over:

ScenarioVolumeBruto omzetNetto staatSchuld BBP / PBW
Behoedzaam (400 mrd m³ @ €34/MWh)400 mrd m³€136 mrd−€30 mrd113% / 180%
Realistisch (620 mrd m³ @ €40/MWh)620 mrd m³€248 mrd+€33 mrd107% / 170%
Krapte (670 mrd m³ @ €50/MWh)670 mrd m³€335 mrd+€82 mrd103% / 164%
Krapte + boringen (770 mrd m³ @ €55/MWh)770 mrd m³€424 mrd+€131 mrd98% / 156%

Berekening: 10 kWh/m³ brandwaarde; overheidsaandeel 70% van bruto omzet minus 20% winningskosten; €85 mrd bewoners + €35 mrd Markerwaard − €14 mrd belastingretour.

Zuid-Groningen — de circulaire deal

Tot hier ging het alleen om geld terug in de schatkist. Maar het echte doorbraakmoment ligt ergens anders. Ergens in de Randstad-Noord-flank moet 40.000 tot 60.000 nieuwe woningen worden gebouwd — een moderne gedecarboniseerde stad die Zuid-Groningen gaat heten. Dat maakt van de gasdeal geen uitkering-op-afstand, maar een concrete verhuizing naar een nieuw huis in een nieuwe regio — gefinancierd uit dezelfde bodem.

Drie mogelijke locaties

Er zijn drie serieuze opties, elk met eigen voor- en nadelen. De keuze is een politiek besluit dat op basis van milieu-effectrapportage, IJsselmeer-hydrologie en Natura 2000-inpassing moet worden gemaakt. Maar de opties zijn er:

Mijn voorkeur ligt bij een gecombineerde route B+C: Almere Pampus als eerste tranche (start 2026-2030), Wieringermeer-uitbreiding als tweede tranche (2028-2035). Samen circa 65.000 woningen, gespreid over twee locaties zodat woningmarkt en bouwsector niet worden overbelast. Markerwaard blijft optie voor een eventuele derde fase na 2040. Alle inpolderingskosten samen: ~€20 miljard — exact het budget dat in het scenario staat.

Grafiek toont circulaire geldstroom Markerwaard-scenario
Grafiek 7 — De circulaire geldstroom: van elke euro gasgeld keert ongeveer 90 cent terug via de economie.

Wat dit fundamenteel anders maakt dan een klassieke schade-uitkering is de multiplier die door de bouwsector heenloopt. Wanneer een Gronings gezin €400.000 ontvangt en dat besteedt aan een nieuwbouwwoning in de Markerwaard, gaat het geld naar Nederlandse aannemers, Nederlandse werknemers, Nederlandse leveranciers. Loonbelasting, btw, vennootschapsbelasting en werkgeverspremies stromen terug naar de staat. Het CPB rekent voor bouw-investeringen met een multiplier van 1,3-1,5 en een belastingdruk van 40% — wat betekent dat op de €35 miljard extra bbp uit het Markerwaard-project circa €14 miljard als belasting terugvloeit naar de schatkist.

Nog belangrijker: het project lost drie crises tegelijk op. Woningcrisis — 40 tot 60.000 nieuwe woningen is ~5% van het nationale tekort. Bouwsector — 60.000 tot 80.000 banen gedurende 10 tot 15 jaar, in de sector die nu leegloopt door stikstofcrisis en renteschok. Handelsbalans — 30 miljard m³ binnenlands gas plus binnenlandse bouw vervangt structureel €40 miljard aan jaarlijkse import. Voeg daarbij dat de Nederlandse industrie — Chemelot, Rotterdam, Tata — weer competitief gas krijgt en het geheel is meer dan de som der delen.

Het gedifferentieerde sunset-principe

De voorrangsregeling voor Groningers loopt niet voor iedereen even lang. Wie in het kerngebied (Zone 1) woont, krijgt 7 jaar voorrang op woningen in Zuid-Groningen — want zij hebben de zwaarste schade en de complexste verhuis-uitdaging. Wie in het randgebied (Zone 2) woont, krijgt 5 jaar voorrang — standaard-sunset. Wie in het buitengebied (Zone 3) woont, krijgt 3 jaar voorrang — want daar is de schade beperkter en de verhuisdruk lager. Elk krijgt eerste-recht-van-koop, prijskorting van 20%, en verhuisbudget bovenop de individuele uitkering.

Na deze termijnen vervalt de voorrang en gaan de resterende woningen open voor alle Nederlanders — met normale toewijzingsregels. Dat is het sunset-principe: herstel is tijdelijk, gelijkheid is permanent. En de differentiatie zorgt dat wie het meest heeft geleden, de meeste tijd krijgt om te verhuizen.

Dit principe hoort overal in het Nederlandse beleid geïntroduceerd te worden. Herstelmaatregelen — of het nu gaat om Groningen, Toeslagenaffaire, koloniale erfenis of andere historische onrechtvaardigheden — zouden altijd een duidelijke einddatum moeten hebben, gedifferentieerd naar de zwaarte van het geleden onrecht. Niet uit gierigheid, maar uit respect voor de rechtsgelijkheid. Een voorrangsregeling zonder sunset wordt een nieuwe onrechtvaardigheid. Een sunset zonder ruime voorrang is geen echte reparatie. Een sunset zonder differentiatie is een botte bijl. Alle drie moeten samen. Dit voorstel maakt dat expliciet.

Vier eerlijke waarheden

Gedifferentieerde uitkering — schade bepaalt vergoeding

Een vlakke uitkering van €400.000 per huishouden is politiek eenvoudig maar rechtvaardigheids-tekortkomend: iemand met een gebarsten fundering en een langdurig versterkingstraject verdient meer dan iemand met alleen cosmetische scheuren. Onderzoek van TU Delft heeft de schadegradaties in het aardbevingsgebied in beeld gebracht. Op basis daarvan gaat het bedrag naar zone:

ZoneKenmerkHuishoudensUitkering per huishoudenTotaal
Zone 1 — KerngebiedZwaar beschadigde en versterkte woningen~10.000€600.000€6,0 mrd
Zone 2 — RandgebiedMeervoudige schadegevallen~15.000€400.000€6,0 mrd
Zone 3 — BuitengebiedEnkele schadegevallen of waardedaling~10.000€300.000€3,0 mrd
Totaal~35.000 huishoudens35.000gem. €428.500€15,0 mrd

Zone-indicatie: gebaseerd op TU Delft-classificatie (2016); definitieve grenzen door onafhankelijke commissie vast te stellen. Uitkering geïndexeerd, over 25 jaar uitbetaald.

De gedifferentieerde aanpak: €600.000 in het kerngebied (10.000 huishoudens met zwaar beschadigde of versterkte woningen), €400.000 in het randgebied (15.000 huishoudens met meervoudige schadegevallen), €300.000 in het buitengebied (10.000 huishoudens met enkele schade of waardedaling). Totaal 35.000 huishoudens, gemiddeld €428.500 — exact het bedrag dat in de globale rekening staat. Zo krijgt de zwaarst getroffen bewoner het meeste, en houdt het randgebied ook substantiële compensatie zonder dat de kern eronder lijdt. Definitieve zone-grenzen worden vastgesteld door een onafhankelijke commissie op basis van objectieve schadedata.

Grondwettelijke voorwaarden — vijf waarborgen

Groningers vertrouwen de staat niet meer — en terecht. Elke belofte dat "de opbrengst voor jullie is" wordt gehoord tegen zestig jaar gebroken beloftes. Wanneer wij tussen 1963 en 2021 €417 miljard aan aardgasbaten hebben ingezameld en Groningen daarvan minder dan 1% terugzag, is opnieuw beloven zonder harde borging politiek onmogelijk.

De enige verantwoorde route is dus een grondwettelijke verankering van vijf principes voordat één kraan opengaat:

"Wij hadden dit veertig jaar geleden moeten doen. Wat Noorwegen wel deed, hebben wij nagelaten — en de rekening is naar Groningen doorgeschoven. Als wij nu opnieuw gas willen winnen, moet die fout eerst grondwettelijk gerepareerd zijn."

Wat het scenario ons leert

Het gasscenario, gekoppeld aan de Zuid-Groningen-inpoldering, is meer dan een aanvullend hefboompje — het is een circulaire deal die vier crises tegelijk aanpakt. Bij realistische TTF-prijs daalt de netto eerlijke schuld met 3 procentpunten (BBP) resp. 5 procentpunten (PBW); bij krapte-plus-boringen met 12 (BBP) resp. 19 (PBW) procentpunten. Bovenop komen tot €600.000 per Groningse huishouden in de kernzone, 40 tot 60.000 nieuwe woningen, 60 tot 80.000 banen in de bouw, en een structureel betere handelsbalans. Het effect is te groot om zonder inhoudelijk debat weg te wuiven — maar tegelijk is het geen wonderoplossing: ook in het beste scenario blijft de netto eerlijke schuld op PBW boven 150%. Dat maakt de bekentenis en de hervormingen des te noodzakelijker.

Maar het is nadrukkelijk geen alternatief voor eerlijke boekhouding, een Schuldenbremse of een Waarheidscommissie. Het is er een aanvulling op. Wie zegt "gas terug, geen hervormingen", verkoopt hetzelfde bedrog als wie zegt "geen bekentenis, wij hebben het goed gedaan". Beide sluiten de ogen voor de rekening die er ligt. Het gas + Markerwaard-scenario werkt alleen de bekentenis, ingebed in de Waarheidscommissie, gebonden door grondwettelijke sunsets. Anders wordt het opnieuw wat het in 1963 werd: een grote schuld die op de verkeerde schouders belandt.

Slot — De uitnodiging

Nederlandse werkers staan schouder aan schouder in de dageraad
Illustratie — Fabrieksarbeider, verpleegkundige, boer, bouwvakker, kantoormedewerker, ingenieur. Zij werken al samen. Nu de politiek nog.

Waarom bekentenis geen zwakte is maar het begin van samenwerking met wie wij nu nog als tegenstanders zien

De vier-stappen uitnodiging

Geen enkele hervorming heeft draagvlak zolang de cijfers oneerlijk zijn. Zonder bekentenis geen mandaat voor pijnlijke maatregelen. Gerhard Schröder deed het in maart 2003 met zijn Agenda 2010 — het kostte hem persoonlijk de macht, maar Duitsland plukte er vijftien jaar de vruchten van. De Nederlandse pendant ontbreekt sinds Wim Kok. Maar in 2026 hebben wij iets wat Schröder in 2003 niet had: €1.750 miljard pensioenvermogen als bewijs dat wij de last kunnen dragen en de laagste netto eerlijke schuld van vergelijkbare Europese landen. Wij komen dus niet met lege handen naar de bekentenis — wij komen met een uitnodiging.

De grote vijanden zijn nu de grote bondgenoten

Dit is de kern van de uitnodiging. Zolang de cijfers oneerlijk zijn, is elke onderhandeling een nulsomspel — als de vakbond wint, verliezen werkgevers en vice versa. Zodra de vier lagen op tafel liggen, kantelt het spel: vakbonden en werkgevers hebben plotseling hetzelfde belang — geen doorschuiven naar de kinderen van hun leden. De industrie heeft plotseling hetzelfde belang als de vakbeweging — de €1.750 miljard pensioenpot is voor beide partijen de garantie dat Nederland kan investeren zonder crisis. Gemeenten hebben plotseling hetzelfde belang als het Rijk — een Schuldenbremse beschermt hen tegen ongedekte decentralisaties.

Zelfs met Europese partners kantelt de dynamiek. Als Nederland eerlijk zijn 110% laat zien én tegelijkertijd zijn 159%-buffer, wordt de discussie in Brussel niet meer "Den Haag legt ons de les". Zij wordt: "Als Nederland dit durft, dan moeten wij ook." Frankrijk, België, Italië, Spanje en Griekenland kunnen politiek niet de eerste stap zetten — hun cijfers zijn te dramatisch. Wij kunnen het wél. Dat is geen zwakte van hen — dat is onze verantwoordelijkheid als eerlijke makelaar.

Institutionele actie: een Waarheidscommissie Overheidsboekhouding

Concreet stel ik voor een Nederlandse Waarheidscommissie Overheidsboekhouding — naar Duits/Zweeds model — met wettelijk verankerde rapportageverplichting over:

Deze commissie moet politiek onafhankelijk zijn, met een mandaat vergelijkbaar met de Algemene Rekenkamer, maar breder — inclusief impliciete verplichtingen. Haar rapport moet voorafgaand aan elke Prinsjesdag verplicht gepubliceerd worden, en niet mogen worden geamendeerd door het kabinet. Vakbonden, werkgevers, VNG, IPO én de EU krijgen zitting in de raad van toezicht. Dan hebben wij een instituut dat het gesprek mogelijk maakt in plaats van blokkeert.

Wij moeten aan de bak — samen

Wij mogen onze kinderen geen 110% netto eerlijke staatsschuld nalaten die op weg is naar 200% of meer. Dat betekent dat mijn generatie, en de generatie boven mij, harder moet werken, langer moet werken, en verstandiger moet consumeren — niet omdat een politicus dat zegt, maar omdat de rekensom het zegt. En omdat wij onze kinderen liefhebben. Elke Nederlander begrijpt "aan de bak": het is direct, praktisch, on-hollywoodiaans. Maar aan de bak betekent in 2026 iets anders dan in 1948. Het betekent niet: harder werken voor minder loon. Het betekent: samen eerlijker rekenen, samen slimmer investeren, samen sterker in Europa staan.

"Wij moeten aan de bak. Niet uit boetedoening, maar omdat we onze kinderen liefhebben. En niet alleen — maar samen met wie wij vandaag nog als vijand zien, maar morgen als bondgenoot herkennen."

Dit is geen partijpolitieke aanval

Elke coalitie sinds 2002 heeft aan het doorschuiven meegewerkt. Balkenende I t/m IV. Rutte I t/m IV. Schoof. Dit drieluik is dan ook geen aanklacht tegen een partij — het is een aanklacht tegen een systeem waarin het politiek onmogelijk is geworden om de waarheid te vertellen zonder direct de volgende verkiezingen te verliezen. Precies dat systeem moet doorbroken worden. En dat kan alleen als een brede coalitie van vakbondsleiders, industriële ondernemers, gemeentewethouders, oppositiepartijen én burgers gezamenlijk zegt: genoeg. Wij willen eerlijke cijfers. Wij willen aan de bak. Wij willen onze kinderen niet met deze rekening opzadelen. En wij willen dat samen doen — met wie ook.

Dat is de uitnodiging. Wie hem aanneemt, opent de deur naar de eerste eerlijke Nederlandse regeerperiode sinds Wim Kok. Wie hem weigert, kiest ervoor om onze kinderen de rekening te laten betalen — en zal dat vroeg of laat moeten uitleggen aan hun eigen kleinkinderen.

Eerlijkheid maakt regeren mogelijk

Zolang wij de werkelijkheid verzwijgen, is elke onderhandeling een schaduwspel — en verliezen wij allemaal, ook diegenen die op korte termijn winst denken te boeken.

← Terug naar Wat opkomt