De zeven dimensies
Het 7D-model van menselijk gevoel
Theorie · 14 min lezen
Door Jacobus van Merksteijn
Stel je voor dat je een kaart maakt van het innerlijke leven van een mens. Niet een psychologische typering, niet een lijst van trekken of diagnoses, maar een echte kaart — met ruimtelijke verhoudingen, met assen en afstanden, met gebieden die aan elkaar grenzen en gebieden die ver uit elkaar liggen. Een topografie van het gevoelsleven.
Dat is wat het 7-dimensionaal gevoelsmodel probeert. Het is een kaart, niet van de gevoelens zelf — gevoelens laten zich niet vangen — maar van de structuurverhoudingen tussen gevoelens. Hoe verhouden trots en jaloezie zich tot elkaar? Wat is de relatie tussen macht en angst? Wanneer wordt liefde haat, en via welke weg? Die vragen zijn niet filosofisch decoratief. Ze zijn praktisch. Wie de kaart kent, navigeert anders.
Ik leg hem hier uit voor de gewone lezer, zonder de wiskundige onderbouw. De volledigheid staat in de denkbasis die ik apart heb uitgewerkt. Dit is de introductie — de oriëntatie voor wie de structuur wil begrijpen voordat de details volgen.
De grondvorm: een ovaal rechtop in de ruimte
De basisvorm van het model is een ovaal die rechtop staat. Niet plat op een oppervlak, maar overeind, als een ruggenwervel. De ovaal heeft een boven en een onder, een links en een rechts, en een diepte — de as die in en uit het beeld gaat.
Het bovenste punt van de ovaal is liefde. Het onderste punt is haat. Dat is de meest fundamentele structurele eigenschap van het model: liefde en haat zijn geen simpele tegenstellingen die aan weerszijden van een lijn staan. Ze zijn de twee uitersten van één continue boog. En er zijn twee wegen van liefde naar haat: via de rechterkant, en via de linkerkant.
Dat is de meest fundamentele structurele eigenschap van het model: liefde en haat zijn geen simpele tegenstellingen die aan weerszijden van een lijn staan.
Die twee wegen beschrijven twee fundamenteel verschillende psychologische werelden.
De rechterboog: de reële kant
De rechterboog loopt van liefde (boven) via het meest rechtse punt naar haat (onder). De gevoelens op deze boog zijn gegrond in een werkelijke verhouding met de buitenwereld. Reëel, in de terminologie van dit model, betekent: het gevoel heeft zijn oorsprong in iets wat er werkelijk is, buiten jou.
Vlak onder liefde op de rechterboog staat respect. Niet het abstracte respect van een beleefdheidsregel, maar de concrete ervaring van erkend worden in je eigen waarde door een andere mens. Respect is een reëel gevoel: je kunt het niet zelf bedenken als het er niet is. Het heeft een tegenpartij nodig.
Iets verder naar beneden staat trots. De innerlijke erkenning van de eigen prestatie of kwaliteit, in verhouding tot de buitenwereld. Trots verschilt van narcisme: trots is gegrond in wat werkelijk is bereikt. Narcisme is een verhaal dat los van de werkelijkheid drijft.
Op het uiterste punt van de rechterboog — het meest rechtse punt, in het midden van de hoogte — staat macht. De capaciteit om effectief te zijn, om dingen te laten gebeuren, om invloed uit te oefenen. Macht in dit model is neutraal: het beschrijft een positie in de structuur, niet een moreel oordeel. Macht kan voor goede of voor slechte doelen worden ingezet. De positie is dezelfde.
Voorbij macht, aan de kant die naar haat afdaalt, staat jaloezie. Jaloezie is de reële waarneming dat een ander iets heeft wat je zelf wenst maar niet hebt. Ze is reëel omdat ze gegrond is in een feitelijk waargenomen verschil. Ze heeft een actieve component: de jaloezie wil niet dat de ander het niet heeft — ze wil het zelf ook hebben.
Net boven haat staat afgunst. En hier wordt het onderscheid tussen jaloezie en afgunst cruciaal, want in het dagelijks taalgebruik worden ze door elkaar gebruikt. Afgunst wil niet dat je het zelf hebt. Afgunst wil dat de ander het ook niet heeft. Het is het verlangen naar de val van de ander, los van het eigen gewin. Afgunst draagt haat in zich als potentie.
En dan haat, helemaal beneden. Niet als het tegengestelde van liefde in de kinderachtige zin — ik hou van je, ik haat je — maar als de toestand van maximale negatieve verbinding met de werkelijkheid buiten jezelf. De actieve afwijzing. De destructieve oriëntatie.
De linkerboog: de irreële kant
De linkerboog loopt parallel aan de rechter, maar aan de andere kant. De gevoelens hier zijn de irreële tegenpolen van de reële gevoelens op de rechter boog. Irreëel betekent niet: niet werkelijk, niet voelbaar, minder geldig. Het betekent: gegrond in een innerlijke toestand die los kan bestaan van de feitelijke buitenwereld.
Vlak onder liefde op de linkerboog staat onrespect. Dit woord verdient aandacht. Onrespect is niet het gebrek aan respect van buitenaf — dat zou een reëel gevoel zijn, de situatie waarbij iemand je werkelijk niet respecteert. Onrespect als irreëel gevoel is de diepe beleving van zichzelf als niet het respecteren waard. Dit gevoel kan aanwezig zijn ongeacht wat anderen van je vinden. Mensen die door iedereen gerespecteerd worden en zichzelf toch fundamenteel minderwaardig voelen, kennen dit gevoel van binnenuit.
Iets verder naar beneden staat ontrots. De beleving van ontoereikendheid die los staat van wat je feitelijk hebt bereikt. In zijn extreme gedaante: de diepe schaamte — niet als morele emotie maar als direct innerlijk weten dat je fundamenteel tekortschiet.
Op het uiterste punt van de linkerboog staat onmacht, en ze deelt die positie met angst. In dit model zijn onmacht en angst twee aspecten van hetzelfde fenomeen: onmacht is de structurele positie — het gevoel dat je het niet kunt. Angst is de temporele component — de beleving van het bedreigende dat door de onmacht niet afgewend kan worden. Wie structureel onmacht beleeft, beleeft de wereld als bedreigend. Dat is angst.
Angst is de temporele component — de beleving van het bedreigende dat door de onmacht niet afgewend kan worden.
Voorbij het midden, richting haat, staat onjaloezie. Dit is een subtiel en weinig besproken gevoel: niet het verlangen naar wat de ander heeft, maar het niet kunnen verlangen — de innerlijke toestand van het verdoofd-zijn voor het eigen tekort. De persoon die zijn eigen jaloezie niet kan voelen, heeft de verbinding met zijn eigen verlangen verloren. Dat is geen teken van heiligheid. Het is een teken van afsluiting.
Dan onafgunst, vlak boven haat. Niet de actieve wens dat de ander valt, maar het verdoofd-zijn voor de val van de ander. Het niet meer raken door onrecht. Dat het er niet meer toe doet.
En haat, beneden, gedeeld met de rechterboog. Liefde boven verbindt de twee bogen. Haat beneden verbindt ze ook. Op de extreme punten valt het onderscheid tussen reëel en irreëel weg.
De drie assen
De ovaal zweeft in een driedimensionale ruimte die door drie assen wordt bepaald.
De G-as loopt verticaal: van liefde boven naar haat beneden in de standaardoriëntatie. G staat voor grootte, voor de intensiteitsdimensie. Hoe hoger op de G-as, hoe meer het gevoel in de richting van liefde beweegt. Hoe lager, hoe meer het convergeert naar haat.
De W-as loopt horizontaal: reëel rechts, irreëel links. W staat voor waarde, voor de vraag of een gevoel gegrond is in de buitenwereld of in de binnenwereld. Op het meest rechtse punt staat macht. Op het meest linkse punt staat onmacht en angst. Ze zijn elkaars spiegelbeelden — niet elkaars kwaliteitsmatige tegengestelden maar structureel isomorf. Wie macht heeft beleefd, weet hoe onmacht voelt. Niet door redenering maar door structurele nabijheid.
De N-as loopt in de diepte — loodrecht op het vlak dat de G-as en de W-as spannen, als het ware in en uit het beeld. Bij iedere mens ligt de volledige ovaalstructuur op een andere positie langs de N-as. De N-as is de individuele dimensie. Twee mensen die hetzelfde woord gebruiken — jaloezie, trots, angst, liefde — beleven het bijbehorende gevoel vanuit een compleet andere biografie. De jaloezie van een kind dat opgroeit in armoede en de jaloezie van een kind in overvloed liggen op dezelfde geometrische plek in de ovaal, maar op een volledig andere N-positie. Ze zijn structureel gelijk maar biografisch radicaal verschillend.
De N-as maakt het model dynamisch: een mens beweegt gedurende zijn leven langs de N-as. Ervaringen, leerprocessen, trauma's, herstel — al dat beweegt de N-positie. De structuur van de ovaal blijft; de positie van de mens daarin verschuift.
De diagonale loos-functies
Het meest verrassende element van het model zijn de diagonale verbindingen — de loos-functies. Ze lopen niet horizontaal van rechts naar links maar diagonaal: van een punt op de rechterboog, dwars door het centrum van de ovaal, naar een punt op de linkerboog dat niet op gelijke hoogte ligt.
Het centrum van de ovaal is het nulpunt — het punt van maximale leegte, de innerlijke stilte in haar extreme gedaante, niet de stilte die draagt maar de stilte die aangeeft dat er geen contact meer is met het gevoelsleven.
De diagonale paren zijn: respect (rechtsboven) door het centrum naar onafgunst (linksonder). Trots (rechtsboven) door het centrum naar onjaloezie (linksonder). Jaloezie (rechtsonder) door het centrum naar ontrots (linksboven). Afgunst (rechtsonder) door het centrum naar onrespect (linksboven).
De diagonale paren zijn: respect (rechtsboven) door het centrum naar onafgunst (linksonder).
Wat betekent dit? Het beschrijft de toestand die ontstaat wanneer een gevoel via het nulpunt wordt ontladen. Liefdeloos zit in haat — niet de afwezigheid van liefde maar de actieve negatie ervan, de haat die door het nulpunt heen is gereisd. Machteloos zit in angst. Respectloos — in de topologische betekenis — beschrijft een toestand van verdoofd-zijn ten opzichte van de ander, die via het centrum van respect is gereisd.
Het onderscheid tussen onrespect (de horizontale tegenpoel) en respectloos (de diagonale loos-functie) is niet semantisch gesnor. Het is fundamenteel. Onrespect is een actief gevoel: de directe innerlijke gewaarwording van het niet respectabel zijn. Respectloos is de toestand van het geen contact hebben met het gevoel van respect überhaupt — een erosie, niet een spiegeling. Beide produceren gedrag dat de buitenwereld "respectloos" noemt, maar de interne architectuur verschilt volledig, en daarmee de adequate reactie erop.
De kantelbare G-as: hemels of aards?
Er is een eigenschap van het model die het meest radicaal is en die ik hier niet stilzwijgend wil passeren: de G-as is kantelbaar.
In de standaardoriëntatie staat liefde boven en haat beneden. Dat is het hemelse perspectief — de westerse, christelijk geïnformeerde oriëntatie. God is boven, het kwade is beneden. Licht is omhoog, duisternis omlaag. Die ordening is zo diep geworteld dat ze aanvoelt als vanzelfsprekend, als zouden liefde en boven op een niet-contingente manier samenhoren.
Maar er bestaat ook een aards perspectief. In dat perspectief is liefde beneden — als moeder aarde die ons draagt en voedt, de grond waarop wij staan, de bron van al het leven. En haat is boven — als de zon die brandt en verschroeit wat te lang aan haar staat is blootgesteld. De aarde voedt. De zon brandt.
Dat is geen relativisme. Het is topologie. Dezelfde structuur kan in meerdere oriëntaties bestaan zonder dat de structuur zelf verandert. Wat verandert, is de betekenis die een cultuur of een individu aan de posities geeft. En die betekenis is zelf een psychologisch feit over de persoon — iets dat onderzocht, begrepen en eventueel gecorrigeerd kan worden.
Niet alleen culturen oriënteren zich op de G-as op hun eigen manier. Ook individuen doen dat. Voor iemand die opgegroeid is in een traditie waarbij de liefde van de aarde centraal staat — de boerin die haar grond kent, de visser die zijn zee kent — is de aardse oriëntatie van de G-as onmiddellijk herkenbaar. Voor iemand die opgegroeid is in een stedelijke religieuze traditie is de hemelse oriëntatie vanzelfsprekend. Beide zijn valide. De G-as is zelf een individuele variabele. Dat maakt het model radicaal persoonlijk van karakter.
Wat de kaart oplevert
Een kaart is nuttig als hij je laat zien waar je bent en hoe je van A naar B komt. De topografie van het gevoelsleven doet hetzelfde. Zij laat zien dat onmacht en jaloezie niet dezelfde soort gevoel zijn, ook als ze allebei pijnlijk zijn. Zij laat zien dat afgunst en jaloezie structureel verwant maar fundamenteel verschillend zijn. Zij maakt het onderscheid zichtbaar tussen een gevoel dat gegrond is in de werkelijkheid en een gevoel dat dat niet is — een onderscheid dat in de dagelijkse omgangstaal volledig verloren is gegaan.
En zij geeft de taal voor het gesprek dat wij als samenleving nodig hebben: niet het gesprek over "welke gevoelens zijn goed en welke slecht" — die vraag is moralistisch en leidt nergens toe — maar het gesprek over waar een gevoel vandaan komt, via welke weg het er is, en wat het vraagt. Dat gesprek is alleen mogelijk als er een gedeelde kaart is. Dit is die kaart.
Voor wie verder wil lezen: het 7-dimensionaal gevoelsdiagram is volledig uitgewerkt, inclusief de wiskundige topologie en de therapeutische toepassingen, in het werk Denkbasis voor een 7-dimensionaal gevoelsmodel. De pedagogische uitwerking — wat de zeven dimensies betekenen voor de ontwikkeling van kinderen op welke leeftijd — staat in het Manifest voor onderwijs en opvoeding. Beide zijn beschikbaar als download op openvizier.org.
De pedagogische uitwerking — wat de zeven dimensies betekenen voor de ontwikkeling van kinderen op welke leeftijd — staat in het Manifest voor onderwijs en opvoeding.
De zeven dimensies van het gevoel
Stel je voor dat je een kaart maakt van het innerlijke leven. Niet van de gevoelens zelf — die laten zich niet vangen — maar van de structuurverhoudingen tussen gevoelens.
"Wie de kaart kent, navigeert anders."
De grondvorm: een ovaal rechtop
De basisvorm staat overeind, als een ruggenwervel. Het bovenste punt is liefde, het onderste haat. Geen simpele tegenstelling, maar twee uitersten van één continue boog. En er zijn twee wegen van liefde naar haat: via rechts en via links. Die twee wegen beschrijven twee fundamenteel verschillende psychologische werelden.
Twee bogen: reëel en irreëel
De rechterboog draagt de reële gevoelens — gegrond in iets wat er werkelijk is, buiten jou: respect, trots, macht, jaloezie, afgunst. Jaloezie wil het zelf ook hebben; afgunst wil dat de ander het óók niet heeft. Dat onderscheid is cruciaal.
De linkerboog draagt de irreële tegenpolen — gegrond in een innerlijke toestand die los kan bestaan van de buitenwereld: onrespect, ontrots, onmacht, angst, onjaloezie, onafgunst. Onmacht en angst delen één punt: onmacht is de structurele positie, angst de temporele beleving ervan.
Drie assen, diagonale loos-functies
De G-as loopt verticaal (intensiteit, liefde naar haat). De W-as horizontaal (waarde, reëel rechts naar irreëel links). De N-as in de diepte: de individuele dimensie. Twee mensen die hetzelfde woord gebruiken, beleven het gevoel vanuit een compleet andere biografie. De N-as maakt het model dynamisch en radicaal persoonlijk.
Het meest verrassende: de diagonale loos-functies lopen dwars door het centrum — het nulpunt, de extreme leegte waar geen contact meer is met het gevoelsleven. Liefdeloos zit in haat. Machteloos zit in angst. Onrespect (een spiegeling) en respectloos (een erosie via het centrum) zijn niet hetzelfde — en dat verschil bepaalt de adequate reactie.
De kantelbare G-as
In de standaardoriëntatie staat liefde boven en haat beneden — het hemelse, christelijk geïnformeerde perspectief. Maar er is ook een aards perspectief: liefde beneden, als moeder aarde die draagt en voedt; haat boven, als de zon die verschroeit. De aarde voedt. De zon brandt.
Dat is geen relativisme. Het is topologie. Dezelfde structuur kan in meerdere oriëntaties bestaan zonder zelf te veranderen.
Slot
Een kaart is nuttig als hij laat zien waar je bent en hoe je van A naar B komt. Deze topografie doet dat: ze maakt zichtbaar wat de dagelijkse omgangstaal heeft platgewalst. En ze geeft de taal voor het gesprek dat wij nodig hebben — niet over welke gevoelens goed of slecht zijn, maar over waar een gevoel vandaan komt en wat het vraagt.
Dat gesprek is alleen mogelijk als er een gedeelde kaart is. Dit is die kaart. — Jacobus van Merksteijn