★ De Grote Plundering · Deel IV
IV
Het politieke landschap
Wie wil wat, en waarom Brussel niet weet hoe verder
Jacobus van Merksteijn · Malta, juni 2026
{width="6.102362204724409in" height="4.134036526684165in"}
Plaatsing op basis van publieke uitspraken en stemgedrag, mei--juni 2026.
Als wij in de vorige delen hebben vastgesteld dat wij dit zelf hebben gekozen, moeten wij nu eerlijk in kaart brengen wie wij precies kozen. Welke partij wilde wat. Welke vakbond eiste wat. Wat de werkgevers riepen. En wat Brussel — bedoeld als de motor van het continent — er op dit moment van bakt.
Dit is geen pamflet. Dit is een eerlijke kartografie. Want pas wanneer je weet wie aan welke kant van de tafel zit, kun je begrijpen waarom de trein niet terug op de rails komt. Iedereen duwt aan een andere wagon, en niemand kijkt naar de locomotief.
Nederland — de polder duwt naar links
GroenLinks-PvdA
De duidelijkste plunderingscoalitie. Jesse Klaver hamerde op 4 juni 2026 in de Tweede Kamer letterlijk op een \"eerlijke belasting op hoge winsten en grote vermogens\". Het standpunt is consistent: de welvaartsstaat overeind houden door de bovenkant zwaarder te belasten, niet door de onderkant te vragen meer te werken of het stelsel soberder te maken. De partij ziet vermogen als democratisch verdacht, ondernemerschap als nuttig zolang het reguleerbaar is, en succesvolle Nederlanders als kandidaten voor extra bijdrage.
Hun electoraat: hoogopgeleide ambtenaren, leraren, zorgmedewerkers, mensen in de publieke sector. Mensen die zelf geen vermogen hebben en bij wie de extra belasting niet aankomt. Het is electoraal logisch en moreel zelfbevredigend tegelijk. Wat eraan ontbreekt, is enige inhoudelijke analyse van wat er gebeurt wanneer de melkkoe weigert nog door te grazen.
FNV — de vakbond
De FNV ondersteunt deze koers actief. Het ultimatum van de vakbeweging op 4 juni 2026 over de bezuinigingen — voorgelegd aan het kabinet — gaat niet over werken voor wat je krijgt. Het gaat over: hou de uitkeringen op niveau, betaal het met geld van de \"allerrijksten\". Tuur Elzinga heeft die boodschap consequent uitgedragen. De vakbond is in 2026 geen organisatie voor werkenden meer. Zij is een organisatie voor het beschermen van het sociale contract zoals het ooit was, gefinancierd door anderen. Dat is een wezenlijk verschil met de FNV van pakweg 1985, die nog onderhandelde over loon in ruil voor productiviteit.
D66
Stemde voor de nieuwe box 3-wet op 12 februari 2026. Niet uit overtuiging, maar omdat het electoraat dat verwacht. D66 wil vooral niet als asociaal te boek staan. De partij die ooit ondernemerschap omarmde, is in twee decennia veranderd in een progressief-bureaucratische stroming die meeloopt met de tijdgeest. Internationale concurrentiekracht wordt af en toe genoemd, maar nooit consequent doorvertaald in beleid.
VVD
De partij die geacht wordt ondernemers te verdedigen, stemde ook voor box 3. Daar zit een tragiek in. De VVD heeft de afgelopen vijftien jaar de morele basis verloren om tegen vermogensbelasting te zijn. Door zelf decennialang publieke uitgaven te steunen die nu onbetaalbaar zijn, is de partij medeschuldig aan het probleem dat zij retorisch bestrijdt. Het resultaat: zachte oppositie, met hier en daar een dappere uitspraak van een individuele kamerlid die niemand citeert.
CDA en NSC
Stemden eveneens voor box 3. Centrumpolitiek die zichzelf vooral als brug ziet en daardoor in elke richting meebuigt. De CDA-traditie van bescherming van het familiebedrijf is door de huidige generatie politici nauwelijks meer terug te vinden. Pieter Omtzigt en NSC hebben in de campagne van 2023 de begrotingsdiscipline opgepakt maar zonder fundamenteel het herverdelingsmodel aan te vechten.
PVV en BBB
Hier wordt het interessant. Wilders zegt: \"gewone Nederlanders gaan betalen voor de gevolgen van immigratie\", en wil dat het probleem wordt opgelost door grenzen te sluiten en migranten vijftien jaar lang geen uitkering te geven. Dat is een andere lezing van hetzelfde probleem, maar zonder de productieve klasse in de analyse te betrekken. De BBB heeft een agrarische ondertoon — de boer als slachtoffer van Haags beleid — maar verbreedt dat niet tot de bredere ondernemende klasse.
Beide partijen vangen de woede op die straks veel groter wordt. Maar geen van beide heeft een coherent verhaal over hoe productieve welvaart wordt opgebouwd. Zij wijzen, terecht, op de problemen. Een oplossing bieden zij niet.
VNO-NCW en de werkgevers
Hier ligt de meest opvallende stilte. VNO-NCW heeft op 22 mei 2026 publiekelijk kritiek geuit op de nieuwe box 3-heffing, en pleit voor een vermogenswinstbelasting in plaats van vermogensaanwasbelasting. Dat is technisch het juiste argument. De Dutch Startup Association heeft de Eerste Kamer letterlijk opgeroepen de wet niet verder te behandelen, omdat zij \"het vertrouwen in het vestigingsklimaat ondermijnt\".
Maar de discussie wordt gevoerd op het terrein van techniek, niet van principe. De vraag of de Nederlandse staat überhaupt het recht heeft om vermogens jaarlijks te taxeren — een nieuwe vorm van belasting die niet aansluit bij wat een mens verdient maar bij wat hij heeft opgebouwd — wordt door VNO-NCW niet gesteld. Te politiek incorrect. Het resultaat: de werkgeversorganisatie verliest het debat zelfs in zijn meest defensieve vorm, want haar argument is technisch en het tegenstander-argument is moreel. Morele argumenten winnen altijd van technische, ook wanneer zij verkeerd zijn.
Duitsland — de coalitie scheurt onder zijn eigen woorden
SPD
Wil de Spitzensteuersatz verhogen van 42 naar 49 procent, en steunt het idee van een vermogensbelasting voor wie meer dan twintig miljoen euro netto bezit. Marcel Fratzscher van het DIW heeft het rekensommetje voorgelegd: twee procent vermogensbelasting brengt ongeveer 42 miljard euro op. \"De staat zou dat geld kunnen gebruiken om belasting op arbeid en bedrijven te verlagen,\" zegt hij. Daarmee verkoopt hij de Duitse vermogensbelasting alsof zij netto positief uitpakt voor ondernemers. Dat is academisch slim en politiek bedrieglijk: zodra de heffing er is, verdwijnt het idee van compensatie altijd in de algemene middelen.
CDU en CSU
Verzetten zich officieel tegen verhoging van de top-belastingtarief en tegen vermogensbelasting. Maar er zijn al barsten. Eind mei 2026 toonden eerste Unionspolitici zich \"bereid tot compromis\" over verhoging van de Reichensteuersatz van 45 naar 47,5 procent. De koers begint mee te buigen, niet omdat de CDU-leiding overtuigd is, maar omdat de SPD niet meer wil meewerken aan andere belastingverlagingen zonder dat de \"rijken meer bijdragen\". Dat is hoe in coalitiepolitiek principes verdampen.
Bündnis 90/Die Grünen
Karl Haeusgen — interessant, want hijzelf hoofd van het ondernemersnetwerk van de Groenen, voormalig president van de Duitse machinebouwfederatie VDMA — bepleit hogere inkomstenbelasting en hogere erfbelasting. Dat is opmerkelijk: een ondernemer van naam die toch voor zwaarder belasten pleit, omdat hij gelooft dat \"vermogende ondernemersfamilies een grotere belastinglast moeten dragen\". Een rationele zelfdestructie, gevoed door het schuldgevoel van de geslaagde Duitser.
AfD
Vangt de woede op aan de andere kant. Niet over plundering, maar over wat zij doen met het geplukte geld — vooral migratie, asielzorg, klimaatuitgaven. Hetzelfde patroon als bij PVV: een wijzende, niet een opbouwende partij.
DGB — de Duitse vakbondskoepel
Hier wordt het hard. Op 3 juni 2026 herhaalde plaatsvervangend voorzitter Stefan Körzell het DGB-voorstel: elke euro vermogen boven één miljoen euro netto belasten, bij gehuwden boven twee miljoen. Plus een extra Vermögensabgabe van tien procent op alle vermogens boven tien miljoen — gespreid over twintig jaar. Opbrengst: 350 miljard. \"In plaats van bij gewone werkende mensen de rotstift te zetten, moet de regering eindelijk de profiteurs van de ongelijke verdeling aanpakken,\" aldus Körzell.
De taal is veelzeggend. \"Profiteurs.\" Zo noemt de Duitse vakbond de ondernemers die de fabrieken runnen waar de DGB-leden werken. Die de pensioenpremies betalen waarvan de DGB-leden over twintig jaar denken te genieten. Die het belastinggeld leveren waaruit de DGB-secretarissen worden gefinancierd. Profiteurs van de samenleving die zonder hen geen samenleving zou zijn.
BDI en Die Familienunternehmer
De Duitse werkgeverskant. De BDI protesteert tegen elke nieuwe heffing, maar voorzichtig. Die Familienunternehmer, het Duitse familiebedrijven-verbond, gaat verder: zij waarschuwen letterlijk voor de \"substanzvernichtende Wirkung\" van vermogensbelasting. Substantievernietigend. Dat is technisch correct — een vermogensbelasting op niet-liquide bedrijfsvermogen dwingt verkoop of fragmentatie van het bedrijf om de heffing te kunnen betalen. Het is de wreedste vorm van industriële schade, want zij komt traag en is niet meer terug te draaien.
Wordt naar hen geluisterd? Niet werkelijk. Familienunternehmer is in de Duitse media de stem van wat \"de rijken\" worden genoemd. De werknemers van diezelfde familiebedrijven worden in de DGB-rapporten als slachtoffers van het kapitaal voorgesteld. Hetzelfde bedrijf wordt langs twee assen verdeeld: de eigenaar als profiteur, de werknemer als slachtoffer. Geen aandacht voor het feit dat zonder de eerste, ook de tweede er niet zou zijn.
Frankrijk — het strijdtoneel onder pure spanning
La France Insoumise (LFI)
Mélenchon en de zijnen pleiten voor de volledige herinvoering van de ISF — de vermogensbelasting die Macron in 2017 afschafte — plus een belasting op \"superwinsten\", plus een grootschalige hervorming van de erfbelasting. Het programma is consistent: SMIC naar 1700 euro, pensioen terug naar 60, ISF herstellen, dividend belasten als loon. Het is de zuiverste plunderingsvariant in Europa, gepresenteerd onder de vlag van rechtvaardigheid.
Parti Socialiste
Lichter, maar in dezelfde richting. De socialisten stellen voor om een vermogensbelasting op assets boven honderd miljoen euro te herinvoeren — de Zucman-norm, dezelfde twee procent die in Californië op de stembus staat. Olivier Faure positioneert dit als \"maatschappelijk aanvaardbaar\" alternatief voor het 44 miljard euro aan bezuinigingen dat de regering wil. Een doelbewust morele framing: kies tussen het inhouden van de armen of het belasten van de superrijken. De middenweg — namelijk: minder beloven, soberder leven — komt niet ter sprake.
Rassemblement National (RN)
Marine Le Pen heeft zich vooral verzet tegen het beperken van de CPF — het persoonlijke opleidingskonto — niet tegen de belastingen op holdings of het terugschroeven van de Pacte Dutreil voor familiebedrijven. Het RN pakt de underdog van de werkende klasse op, maar laat de aanval op de productieve bovenkant goedkoop ongemoeid. Een tactisch slimme positie: niet de rijken verdedigen, want dat is electoraal onverkoopbaar; wel de gewone Fransman als slachtoffer presenteren.
Renaissance en Les Républicains
Macron's beweging en de gaullisten voeren een gevecht achter de schermen. Premier Sébastien Lecornu heeft eind mei 2026 een beroep aangetekend bij de Conseil constitutionnel om drie fiscale maatregelen tegen \"de rijken\" alvast te laten toetsen voordat ze in werking treden. Dat geeft de centrum-rechtse positie weer: niet principieel tegen extra belasten van vermogen, maar bezorgd over de juridische houdbaarheid. Hetzelfde pragmatisme dat in Nederland D66 en VVD vertonen. Voorzichtig meebuigen, hopend dat het minder erg wordt dan links wil.
Medef — de Franse werkgevers
Protesteren, maar voorzichtig. De Medef heeft de afgelopen jaren systematisch terrein verloren in het publieke debat. Patrick Martin, de huidige voorzitter, spreekt in technische termen over \"investeringsklimaat\" en \"concurrentievermogen\". Niemand luistert. Het Franse intellectuele klimaat ziet de ondernemer als verdachte, en dat verandert niet door bedrijfslogica.
De drie patronen die zich tonen
Wie de Nederlandse, Duitse en Franse partijenlandschappen naast elkaar legt, ziet drie patronen die overal hetzelfde zijn.
Eén — links wil meer plukken, en doet dat moreel helder. GroenLinks-PvdA, SPD, LFI, Parti Socialiste, deels Bündnis 90: zij hebben een coherent verhaal en een betrouwbare achterban. Hun morele framing — \"de sterken moeten meer bijdragen\" — is electoraal robuust en cultureel dominant. Wie tegen hen ingaat, draagt de bewijslast.
Twee — centrum-rechts buigt mee, want het kan niet anders. VVD, CDU, Renaissance, Les Républicains: zij stemmen voor wat zij retorisch bestrijden. Hun probleem is dat zij decennialang de welvaartsstaat hebben gesteund en nu geen morele basis hebben om tegen de financiering ervan op te treden. Zij verliezen elke discussie omdat zij niet helder kunnen formuleren waarom belasten van vermogen verkeerd is, terwijl zij belasten van inkomen normaal vinden. Het verschil tussen die twee — winst belasten wanneer hij gerealiseerd is, of vermogen belasten als hij nog niet eens bestaat — is technisch glashelder, maar moreel niet uit te leggen aan een electoraat dat in soundbites denkt.
Drie — populistisch rechts wijst, maar bouwt niet. PVV, AfD, RN, BBB, FvD: zij vangen de woede op die de plundering produceert, maar zij richten haar elders. Op migranten. Op Brussel. Op de \"elite\". Niet op de plundering zelf. Dat is electoraal logisch — hun kiezers hebben geen vermogen en voelen zich niet aangesproken door een verdediging ervan — maar het betekent dat zelfs een verschuiving naar rechts in heel Europa de plundering niet zou stoppen. Zij zou alleen de zondebok veranderen.
Mijn opinie: Wat in werkelijkheid ontbreekt in heel Europa is een politieke stroming die zegt wat eenvoudig waar is: de welvaartsstaat zoals wij hem hebben opgebouwd, is structureel niet meer te financieren uit de productie die wij nog leveren. Wij moeten kiezen tussen meer produceren of minder verdelen. Een derde optie — \"de rijken meer laten betalen\" — bestaat alleen als rekenkundige fictie, niet als duurzame oplossing. Geen Europese partij durft dit te zeggen. Niet links, want het ondergraaft hun morele uitgangspunt. Niet centrum-rechts, want het schaadt hun stemmen. Niet rechts-populistisch, want het zou hun electoraat uitleggen dat zij wél verantwoordelijkheid hebben. Het zwijgen is unaniem, en daarom totaal.
Brussel — de motor draait, maar weet niet welke richting op
Boven dit nationale toneel zit de Europese Commissie, die officieel de motor moet zijn van de Europese opstanding. Wat doet zij in juni 2026?
Op 3 juni heeft de Commissie het 2026 European Semester Spring Package gepresenteerd. Roxana Mînzatu en Valdis Dombrovskis spraken in Brussel over een \"belangrijke verschuiving\" — concurrentievermogen gemeten door menselijk kapitaal, vaardigheden, en sociale veerkracht. De aanbevelingen vallen in vier categorieën: fiscale stabiliteit, innovatie, ondernemingsklimaat, energie en sociale rechtvaardigheid.
Klinkt redelijk. Het is leeg.
Lees de specifieke aanbevelingen aan de lidstaten en je vindt vrijwel niets concreet over wat er moet gebeuren om de productieve klasse in Europa te beschermen. Wel veel taal over \"investering in vaardigheden\", \"verbetering van werkomstandigheden\", \"bescherming van levensstandaarden\". Het is bestuurlijke retoriek die in elke richting kan worden ingevuld. Een vakbondsleider hoort er solidariteitsmaatregelen in. Een ondernemer hoort er deregulering in. Beiden hebben gelijk: er staat niets duidelijks.
Het Draghi-verhaal
Mario Draghi heeft in 2024 driehonderd pagina's onderzoek voor de Commissie geschreven over hoe Europa zijn concurrentiekracht moest herstellen. Investeringen van 800 miljard euro per jaar. Een Europese AI-strategie. Een gemeenschappelijke kapitaalmarkt. Energie-onafhankelijkheid. Het is het meest serieuze stuk werk dat een voormalig Italiaans premier en ECB-president heeft afgeleverd.
Van die 800 miljard is in twee jaar tijd vijftien procent gerealiseerd. De Europese Banken Federatie meldde op 10 juni 2026 dat de \"competitiveness bill\" inmiddels niet meer 800 miljard maar 1,4 biljoen bedraagt — bijna een verdubbeling, omdat het probleem groter is geworden door inactiviteit. De motor draait wel, maar in zijn vrij. Niemand durft de versnelling erop te zetten.
Waarom Brussel niet weet hoe verder
Dit is geen incompetentie. Het is een structureel probleem dat de Europese instituties bouwkundig hebben.
Eén — Brussel kan geen belasting heffen. De Europese Commissie heeft geen fiscale soevereiniteit. Zij kan richtlijnen voorstellen — zoals de geplande Europese minimum-exit-belasting — maar de implementatie ligt bij de lidstaten. Wanneer Duitsland zegt: wij verhogen onze vermogensbelasting, kan Brussel niets doen. Wanneer Italië zijn 24-bis-regime tot €300.000 verhoogt, kan Brussel niets doen. De Commissie kan competitiviteit \"aanbevelen\", maar zij kan haar niet afdwingen.
Twee — Brussel rekent het op de verkeerde tijdlijn. De Commissie werkt aan zevenjaarsbegrotingen (2028-2034), aan strategische plannen voor 2030, aan AI-roadmaps voor 2035. Mooi op papier. Maar de productieve uittocht gebeurt nu, in 2026. De Britse 16.500 miljonairs die vorig jaar vertrokken, komen niet terug omdat de Commissie in 2030 misschien een belastingmaatregel coördineert. Tegen 2034, wanneer de begrotingsperiode begint, is het Europese kapitaalweefsel nog dunner dan nu.
Drie — Brussel zit klem tussen de lidstaten. De grote landen — Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje — willen meer fiscale coördinatie en hogere belastingen op kapitaal. De kleine landen — Ierland, Nederland, Luxemburg, Malta, Estland — willen behoud van fiscale soevereiniteit en eigen ruimte voor concurrerend belastingbeleid. De Commissie kan niet beide partijen tegelijk dienen en doet dus niets dat werkelijk verschil maakt.
Vier — Brussel begrijpt productie niet. De huidige Commissie is gevuld met juristen, economen, politicologen. Geen ingenieurs. Geen industriële ondernemers. Geen mensen die ooit een fabriek hebben gerund of een patent hebben verkocht. Het gevolg is een fundamentele dovenkop voor wat productiviteit werkelijk vereist: ruimte voor risico, betaalbare energie, lange-termijnzekerheid over fiscaal beleid, vakmanschap dat van generatie op generatie wordt doorgegeven. Brussel produceert documenten. Documenten produceren geen welvaart.
Vijf — de Eurobureaucratie heeft zichzelf zelfbehoud als doel gegeven. De Commissie is niet ingericht om Europa te herstellen, want haar bestaansrecht ligt in coördinatie tussen lidstaten. Hoe zwakker de lidstaten, hoe sterker Brussel. Een sterk Europa met soevereine lidstaten — zoals onder Helmut Kohl en François Mitterrand — had Brussel niet nodig. Een zwak Europa, dat van zichzelf niets meer kan, wel. Het is institutionele zelfontkenning om hier hardop over te spreken, maar het is wel waar.
Wat dit betekent
De politieke kaart van Europa is in juni 2026 deze. Een Europese linkerflank die met morele zekerheid plukt. Een centrumrechts dat meebuigt zonder dat het weet hoe het anders moet. Een populistisch rechts dat wijst zonder te bouwen. Een Brusselse instelling die documenten produceert maar geen producten. Werkgeversorganisaties die technisch protesteren maar moreel verliezen. Vakbonden die hun eigen werknemers indirect helpen ondergraven door de werkgevers tot vijand te verklaren.
Geen van deze partijen kan het probleem alleen oplossen. Dat is de kern. De productieve klasse — de ondernemers, de uitvinders, de patenthouders, het familiebedrijf — heeft geen politieke vertegenwoordiging meer in Europa. Niet links, want zij is hen tot vijand verklaard. Niet centrum-rechts, want die durft hen niet meer te verdedigen. Niet populistisch rechts, want die heeft zijn aandacht elders. Niet Brussel, want die kan niets.
Zij staat alleen. Statistisch alleen — minder dan vijf procent van het Europese kiezerscorps. Politiek alleen — geen partij durft haar belang openlijk te dienen. Cultureel alleen — de media presenteren haar als profiteur. Moreel alleen — geen breed gedragen verhaal zegt waarom zij waardevol is voor de samenleving die haar geplukt heeft.
En zonder die productieve klasse — zonder de mensen die fabrieken runnen, octrooien exploiteren, innovaties doorvoeren — is er geen Europese toekomst. Niet over vijftig jaar, niet over twintig, niet over tien.
Slot van het vijfluik
De trein staat niet stil omdat er geen machinisten zijn. De trein staat stil omdat elke machinist een andere wagon de andere kant op duwt, en niemand naar de locomotief kijkt.
De Nederlandse coalitie buigt mee. De Duitse coalitie scheurt onder eigen woorden. De Franse Republiek strijdt in haar eigen Constitutionele Hof tegen zichzelf. Brussel produceert documenten waarvan vijftien procent wordt uitgevoerd en die ondertussen ouder worden dan het probleem zelf.
En de mensen die de welvaart maken — wij die in deze reeks de \"productieve klasse\" hebben genoemd, de ondernemers, uitvinders, fabrikanten, familiebedrijven — kijken vanuit de andere kant van het station toe. Zij hebben hun koffers al gepakt. Zij wachten op de juiste trein. Niet de trein die in Brussel niet op de rails komt, maar de trein naar Singapore, naar Dubai, naar Texas, naar Lugano, naar Tessin.
Wanneer die trein vertrekt, en zij erin zitten, zal Brussel een nieuwe commissaris benoemen om \"de exodus tegen te gaan\". Dat zal het 350ste rapport opleveren over de Europese concurrentiekracht. Dat rapport zal worden besproken in 47 Europese vergaderingen. Daarvan zal vijftien procent worden uitgevoerd. Tegen de tijd dat het iets had kunnen veranderen, zal de trein in Singapore zijn aangekomen.
Wij hebben dit zelf zo opgezet. Niemand anders. Wij stemmen. Wij steunen. Wij kijken weg. Wij hebben de architectuur gebouwd waarin niets kan veranderen.
Dit is het politieke landschap. Wie het ziet, ziet ook waarom er geen uitweg meer is binnen het systeem. De uitweg ligt buiten Europa. Voor de productieven dan toch. Voor de rest van ons, die hebben gestemd voor dit alles, is er geen uitweg meer.

Jacobus van Merksteijn
Hoofdredacteur van Het Open Vizier. Ondernemer, ontwikkelaar van industriële en governance-innovaties (Carbon-Alert Ltd, TerraClean Ltd, GuardSkin Ltd). Schrijft over economische, ecologische en politieke systeemvraagstukken vanuit ervaring met de Brusselse en Haagse besluitvormingsmachine.