BOEK TWEE
Diakrisis — Het boek van het onderscheid
Vierenveertig verhalen in twaalf delen
CHRONESIS · PHILOTIMOS · ALETHERIS · TIMARIS
Wie de vier zuilen draagt,
wordt door de vier zuilen gedragen.
Maar de grond waarop zij staan,
moet worden nagekeken.
Dit is het tweede boek van de Kosaris. Het eerste boek is het boek van de heilige Kosus en het gaat over vier dingen: tijd, liefde, waarheid en respect. Wie dat boek niet heeft gelezen, kan dit boek lezen, maar hij mist waar het op rust.
Boek Eén vertelt hoe de vier zuilen zijn gevonden. Dit boek gaat over wat er daarna gebeurde.
Want er gebeurde iets wat niemand had voorzien. Het boek werd gelezen. Het werd voorgelezen in duizend huizen en overgeschreven en vertaald, en de zinnen die Demira aan een toonbank had gezegd terwijl zij tot haar ellebogen onder de bloem zat, werden voorschriften.
Er ging niets verloren. Elk woord bleef staan zoals het stond.
Alleen keek niemand meer na of het nog klopte.
Dit boek gaat over het onderscheid tussen wat vaststaat en wat is aangenomen, en over de bereidheid dat onderscheid ook tegen jezelf te maken. Dat heet in dit boek Diakrisis. Het is geen vijfde zuil. Het is wat je doet voordat je gaat dragen: je kijkt of de grond het houdt.
De verhalen eindigen niet met "De Kosus zegt". Kosus is dood en hij zegt niets meer. Zij eindigen met een vraag, en met vier woorden.
Die vier woorden zijn het moeilijkste van dit hele boek. Zij staan er niet om iemand vrij te pleiten. Zij staan er omdat het waar is, en omdat het de zaak juist erger maakt.
———
En niemand had gelogen.
Deel I
Waarin het boek van Kosus door heel Europa wordt gelezen, en Klytia haar eigen woorden terughoort als voorschrift.
Verhaal 1
Er stond een stoel op de kade waar Kosus had gezeten. Niemand had besloten dat hij daar moest blijven staan. Hij stond er, en men liet hem staan.
De havenmeester veegde hem elke ochtend af. Eerst deed hij dat omdat hij het niet kon aanzien dat er zeevogels overheen waren gegaan. Later deed hij het omdat hij het altijd deed.
Anthea zag hem bezig toen zij veertig was. Zij stond bij de netten en keek hoe hij de lap over de zitting haalde, drie keer, altijd drie keer, en de lap daarna uitsloeg tegen de kademuur.
"Waarom doet u dat?" vroeg ze.
Hij keek op. "Omdat het moet."
"Van wie?"
Hij dacht na. Hij dacht langer na dan de vraag verdiende, en dat merkte hij zelf ook.
"Dat weet ik niet," zei hij ten slotte. "Ik doe het al elf jaar."
Anthea knikte en liep door. Zij dacht die dag niet meer aan de stoel. Maar zeven jaar later, toen er iets was misgegaan dat niemand had kunnen voorzien, dacht zij eraan terug, en toen wist zij dat het daar was begonnen.
Niet bij een leugen. Bij een man die iets goeds deed en niet meer wist waarom.
Wat doet u elke dag omdat het moet?
En niemand had gelogen.
Verhaal 2
Klytia was oud. Zij liep nog, maar niet ver, en zij ging op donderdagavond naar het huis van de weduwe aan de Zoutstraat omdat men daar voorlas.
Het waren er die avond veertien. Een jonge man las. Hij las goed, met rust, en hij liet stiltes vallen op de plaatsen waar stiltes hoorden.
Hij las het verhaal van de zak meel. Klytia kende het. Zij was erbij geweest toen Demira het aan Kosus vertelde, aan de toonbank, met bloem op haar armen tot aan de ellebogen.
De jonge man las: "Wat op papier klopt maar op de weegschaal niet, klopt niet."
Er ging een instemmend geluid door de kamer. Iemand knikte langzaam. Een vrouw zei zachtjes: "Zo is het."
En Klytia zat daar en voelde iets kouds.
Want zo had het niet geklonken. Toen Demira het zei, was het geen wet geweest. Het was een vrouw geweest die drie leveranciers had verloren en vier nieuwe had gevonden en die er die maand bijna aan onderdoor was gegaan. Het was iets wat haar was overkomen, en zij had het opgeschreven zodat een ander het niet hoefde te overkomen.
Nu was het een zin die men aanhaalde.
Klytia zei niets. Wat zou zij zeggen? De jonge man had niets fout gedaan. Hij had woord voor woord gelezen wat er stond.
Op de terugweg leunde zij op haar stok en dacht: het staat er nog precies zoals het er stond. En het is iets anders geworden.
Wanneer wordt een zin die waar is een zin die niemand meer nakijkt?
En niemand had gelogen.
Verhaal 3
Op de school aan de kade hingen de vier woorden aan de muur. Chronesis. Philotimos. Aletheris. Timaris. Ze waren met de hand geschreven op een plank en de plank hing er al zolang dat het hout donker was geworden waar de zon er niet bij kwam.
De meester vroeg de klas wat Chronesis betekende.
Elf handen gingen omhoog. Hij wees er een aan. Het meisje zei: "Tijd die je aan een ander geeft."
"Goed," zei de meester.
Achter in de klas zat een meisje van acht dat haar hand niet had opgestoken. Zij vroeg, zonder haar hand op te steken: "Wanneer heeft u dat voor het laatst gedaan?"
De meester keek naar haar.
Het bleef stil in de klas. Het bleef zo lang stil dat de kinderen ongemakkelijk werden en begonnen te schuiven.
"Gisteren," zei de meester ten slotte. "Denk ik."
"Weet u het niet?"
"Nee," zei hij. "Ik weet het niet."
Hij had kunnen liegen. Het zou niemand zijn opgevallen en het zou de les hebben gered. Hij deed het niet, en dat is de reden dat dit verhaal is opgeschreven.
Die avond zat hij lang aan zijn tafel. Hij kende alle vier de woorden. Hij kon ze uitleggen, hij kon ze spellen, hij kon vertellen uit welk verhaal ze kwamen.
En hij kon zich van de afgelopen maand geen enkel uur herinneren dat hij aan iemand had gegeven zonder er iets voor terug te krijgen.
Kunt u het woord uitleggen, of kunt u het doen?
En niemand had gelogen.
Deel II
Waarin men begint te merken dat de vanzelfsprekende dingen ooit door iemand zijn besloten, en soms door niemand.
Verhaal 4
De weg langs de haven werd opgebroken. Er kwam een ploeg met machines en zij haalden het zwarte spul eraf en legden er nieuw zwart spul voor terug.
Een jongetje van vijf keek toe. Hij keek een hele middag.
's Avonds vroeg hij aan zijn vader waarom een weg zwart is.
"Omdat wegen zwart zijn," zei zijn vader.
"Ja," zei het jongetje. "Maar waarom?"
Zijn vader legde zijn krant neer. Hij was geen dom man en hij was geen ongeduldig man, en hij merkte dat hij het niet wist.
Ze vroegen het aan de ploegbaas. De ploegbaas zei dat het bitumen heette en dat het uit aardolie kwam.
"En waarom maakt men er wegen van?"
"Omdat het plakt."
"Ja," zei het jongetje. "Maar waarom?"
De ploegbaas lachte en zei dat hij dat moest vragen aan iemand die had gestudeerd. Dus ze vroegen het aan de ingenieur, en de ingenieur zei dat bitumen overblijft wanneer men uit aardolie de benzine en de kerosine en de diesel heeft gehaald. Wat er dan onderin de ketel achterblijft, is bitumen.
"Dus het is wat overblijft," zei de vader.
"Ja."
"En wie heeft besloten dat wegen daarvan gemaakt worden?"
De ingenieur dacht na. "Niemand," zei hij toen. "Het lag er, en het plakte."
De vader liep naar huis met zijn zoon aan de hand en zei de hele weg niets.
Hij had zesenveertig jaar over die weg gelopen.
Hoeveel van wat u vanzelfsprekend vindt, is nooit door iemand besloten?
En niemand had gelogen.
Verhaal 5
Achter de haven lag een houten brug over het kanaal. Er stond een paal met een bord en op het bord stond dat de brug niet betreden mocht worden.
Het bord was zo oud dat de letters bruin waren geworden. Iedereen liep om. Het kostte zeven minuten om.
Het meisje van acht liep er op een dinsdag overheen.
Zij deed het niet uit brutaliteit. Zij deed het omdat zij haast had en omdat zij vergat dat het niet mocht.
Er gebeurde niets. De brug kraakte niet eens.
Aan de overkant stond een oude man te vissen die haar had zien lopen. Hij zei niets, maar hij keek haar na tot zij uit het zicht was.
De volgende dag vroeg zij aan de havenmeester waarom de brug niet mocht.
De havenmeester zocht het op. Het duurde drie dagen. In een kast op de zolder van het gemeentehuis vond hij een besluit uit een jaar dat niemand meer noemt. Er stond in dat de brug was gesloten omdat de derde en de vierde balk waren aangetast.
Bij het besluit zat een rekening. De balken waren vervangen. Elf maanden later.
Het bord was blijven staan.
"Zesendertig jaar," zei de havenmeester. Hij zei het twee keer, alsof het de tweede keer minder zou worden.
Hij rekende het uit op de achterkant van het besluit: als er elke dag veertig mensen omliepen, zeven minuten heen en zeven terug, dan had dat bord in zesendertig jaar bijna dertig jaar lopen gekost.
En er was niets mis met de brug.
Welk bord in uw leven staat er nog terwijl de balken al zijn vervangen?
En niemand had gelogen.
Verhaal 6
Er moest een put worden geslagen aan de landzijde van het dorp, en het lukte niet.
Op de vergadering telde men op wat er in de weg stond. Er waren vijf dingen.
Een oude vrouw die had leren rekenen bij Klytia's grootvader, zat achterin en luisterde. Toen iedereen was uitgesproken, stond zij op en zei dat er niet vijf dingen in de weg stonden maar vijf soorten dingen, en dat men die niet door elkaar moest halen.
"De eerste is steen," zei zij. "Onder die akker zit rots. Daar valt niet mee te praten. Die aanvaard je."
"De tweede is papier. Er is een vergunning nodig. Dat is niet moeilijk, dat is traag. Iemand moet gaan zitten en hem aanvragen."
"De derde is gewoonte. Men zegt dat er nooit op die grond is geboord. Dat is waar. Het is geen reden."
"De vierde weten we niet. Niemand weet hoe diep het water zit. Dat is geen muur, dat is een gat. Daar hoort een meting."
"En de vijfde," zei zij, "is dat de eigenaar van het land en de smid al elf jaar niet met elkaar spreken. Dat is de enige die niemand vanavond heeft genoemd, en het is de enige die de put tegenhoudt."
Men zweeg.
De vergunning kwam er in zes weken. De meting kwam er in twee dagen. De rots bleek er te zijn en men groef ernaast.
De eigenaar en de smid hebben elkaar in het derde jaar de hand gegeven, bij een begrafenis.
De put kwam er in het vierde jaar.
Van welke soort is de muur waar u tegenaan loopt?
En niemand had gelogen.
Verhaal 7
Aan de overkant van de baai lag een dorp waar men perste. Zij persten olie uit zaad, en wat overbleef noemden zij perskoek.
In het dorp aan deze kant noemde men hetzelfde spul afval.
Het was dezelfde stof. Hij kwam uit dezelfde pers, van hetzelfde zaad, in hetzelfde jaar.
Aan de overkant voerde men het aan de geiten en de geiten gaven melk. Hier reed men het naar de stort, en men betaalde per vracht om het kwijt te raken.
Anthea kwam erachter door een rekening. Zij zat in de kliniek en er kwam een boer binnen met een hand die was gescheurd, en terwijl zij hem verbond klaagde hij over wat hij per jaar betaalde om zijn afval weg te laten halen.
"Wat is het?" vroeg Anthea.
"Rotzooi," zei de boer. "Wat er overblijft."
"Waar bestaat het uit?"
Dat wist hij niet.
Zij zijn het gaan wegen en het is onderzocht en het bleek voor bijna een derde uit eiwit te bestaan.
Toen begon het moeilijke deel. Want om het aan geiten te mogen voeren, moest het geen afval meer heten, en om het geen afval meer te laten heten was er een papier nodig, en om dat papier te krijgen moest iemand aantonen dat het geen afval was.
Dat duurde twee jaar.
De stof veranderde in die twee jaar geen greintje.
Alleen het woord veranderde, en toen het woord veranderde, veranderde alles.
Hoeveel van wat u weggooit heeft alleen de verkeerde naam?
En niemand had gelogen.
Verhaal 8
In de bakkerij aan de haven stond nog altijd de weegschaal van Demira. Hij stond op de plank rechts van de oven, en hij was schoon.
Hij werd niet meer gebruikt.
Dat was niet uit slordigheid. De neef die de bakkerij had overgenomen, was een nauwkeurig man. Hij had de zakken de eerste vier jaar gewogen, elke zak, zoals het hoorde.
Toen was de leverancier gestorven en zijn dochter had het overgenomen, en zij was een vrouw die haar zaken op orde had, en er was in negen jaar geen zak geweest die niet klopte.
Dus was hij gestopt met wegen.
Hij had daar een goede reden voor en de reden was waar.
Wat hij niet wist, en niet had kunnen weten omdat hij het niet had nagevraagd, was dat de dochter haar meel sinds twee jaar niet meer van dezelfde molen betrok.
Er ging niets mis. Dat is het vervelende aan dit verhaal.
Het meel was goed, het brood was goed, en er is nooit iemand benadeeld.
Maar toen Anthea hem vroeg waarom hij niet meer woog, zei hij: "Omdat het niet nodig is."
En toen zij vroeg hoe hij dat wist, was zijn antwoord negen jaar oud.
Waarop rust het vertrouwen dat u niet meer controleert?
En niemand had gelogen.
Deel III
Waarin goed werk wordt geleverd op een opdracht die verkeerd stond, en men leert dat de fout zelden in het werk zit.
Verhaal 9
Alkion was tweeëntachtig en zijn handen waren nog goed.
Men vroeg hem een deur te maken voor het nieuwe gebouw aan de kade waar de netten zouden worden bewaard. Hij vroeg om de maten. Men gaf hem de maten op een briefje.
Hij werkte er elf weken aan.
Het was de mooiste deur die hij ooit had gemaakt en hij wist het. Het hout kwam uit één stam. De verbindingen waren zo dicht dat er geen mes tussen ging. Hij had de onderdorpel schuin afgewerkt zodat het regenwater eraf zou lopen zonder in de naad te trekken, en dat had hij van niemand geleerd.
Op de dag dat hij hem kwam hangen, paste hij niet.
Er was elf centimeter verschil in de hoogte. De deur was gemaakt naar het briefje en het briefje was gemaakt naar de tekening en de tekening was ouder dan de fundering, want men had het gebouw tijdens het bouwen dieper gezet vanwege het water.
Iedereen had zijn werk goed gedaan. De metselaar had gelijk gehad om dieper te gaan. De man met de tekening had de tekening niet hoeven wijzigen, want daar was hem niets over gezegd. Alkion had gemaakt wat er stond.
Aan de deur was niets mis.
Hij heeft hem niet willen aanpassen. Men bood aan de bovenzijde af te zagen en hij zei nee. Hij heeft hem meegenomen naar zijn huis en tegen de muur van zijn schuur gezet, en daar heeft hij gestaan tot hij stierf.
Toen hij drie weken voor zijn dood met Anthea in de zon zat, zei hij: "Ik heb elf weken aan het antwoord gewerkt. Ik heb geen half uur aan de vraag gegeven."
Hoe lang werkt u aan het antwoord voordat u de vraag naleest?
En niemand had gelogen.
Verhaal 10
De havenkas wilde de kade beter verlichten, want er was 's nachts iemand in het water gevallen.
De eerste lamp kostte weinig en het werd meteen een stuk beter. Men zag waar men liep.
Maar er bleef een donkere hoek bij de noordelijke steiger, en dus kwam er een tweede lamp. Die kostte iets meer, want er moest een kabel worden gelegd.
Er bleef een schaduw achter de opslag. Derde lamp. Nu moest er worden gegraven.
En na de derde lamp was er nog steeds een plek waar men niets zag, en de vierde lamp zou meer kosten dan de eerste drie samen, want daar liep de leiding niet en er zat rots.
De penningmeester was een stille man. Hij zette de vier bedragen onder elkaar en keek ernaar.
"Dit klopt niet," zei hij.
"Het klopt wel," zei de aannemer. "Ik heb het driemaal nagerekend."
"Ik bedoel niet uw rekening. Ik bedoel: als één stap tweemaal zoveel kost als de vorige en de volgende weer, dan doen wij het verkeerde."
Men keek hem aan.
"Wij verlichten de kade," zei hij. "Waarom?"
"Omdat er iemand in het water is gevallen."
"Waar viel hij?"
Dat wist niemand. Men zocht het na. Hij was gevallen bij de derde bolder van de zuidzijde, en daar was licht. Hij was gevallen omdat de bolder los zat.
De bolder is vastgezet voor bijna niets.
De vierde lamp is er nooit gekomen.
Wat vertellen uw stijgende kosten u over uw vraag?
En niemand had gelogen.
Verhaal 11
Op de markt stond een weger met een balans, en hij was eerlijk. Iedereen wist dat hij eerlijk was. Hij liet de klant altijd meekijken naar de naald.
En toch klopte er iets niet, want de vissers kwamen er slechter uit dan de boeren, jaar na jaar.
Nikos, die jong was en pas een boot had, ging ernaar staan kijken. Hij stond er drie marktochtenden.
Op de derde zag hij het.
De weger legde de vis in de linkerschaal en de gewichten in de rechter. Bij de boeren legde hij de groente in de rechterschaal en de gewichten in de linker. Hij deed dat omdat hij rechts stond en het zo makkelijker werkte.
De balans was niet zuiver. Hij was een halve ons uit het lood, al jaren, sinds hij was gevallen.
Bij de boeren viel dat in hun voordeel. Bij de vissers viel het in hun nadeel.
De weger had het niet geweten. Toen men het hem liet zien, werd hij bleek en ging hij zitten.
Hij had duizenden keren naar de naald gekeken en de naald had duizenden keren de waarheid verteld over wat er in de schalen lag.
Hij had nooit gekeken naar welke schaal welke was.
Kijkt u naar de naald, of naar wat er in welke schaal ligt?
En niemand had gelogen.
Verhaal 12
Er kwam een landmeter voor het veld achter de kerk, want men wilde er iets bouwen.
Hij had goed gereedschap en hij nam de tijd. Hij mat het veld op tot op de duim. Hij tekende het uit op groot papier met de hoeken in graden en minuten, en men kon zien dat hij zijn vak verstond.
Hij was er twee dagen mee bezig.
Toen hij klaar was, kwam het meisje van acht over het veld aanlopen, dwars, zoals kinderen lopen. Zij bleef bij zijn tafel staan en keek naar de tekening.
"Waar is de helling?" vroeg zij.
De landmeter keek op.
"Er is geen helling."
"Als ik van daar naar hier loop," zei zij, en zij wees, "ga ik naar beneden. Als ik terugloop moet ik duwen met mijn benen."
Hij was er niet overheen gelopen. Hij had gestaan waar zijn statief stond en hij had gekeken door zijn kijker, en de kijker had hem alles verteld wat hij had gevraagd.
Het veld liep af. Niet veel. Genoeg om er water op te houden na regen.
Men heeft er niet gebouwd.
Bent u er zelf overheen gelopen?
En niemand had gelogen.
Verhaal 13
De burgemeester na Sofia was een goede burgemeester. Zij hield het dashboard bij zoals het hoorde en zij haalde haar doelen.
De tien cijfers stonden dat jaar allemaal boven de norm. Het was het beste jaar sinds men de cijfers bijhield.
En in datzelfde jaar vertrokken er negentien jonge mensen uit het dorp.
Zij ging het na. Het waren er het jaar daarvoor zeventien geweest en het jaar daarvoor twintig. Er was niets veranderd.
Zij liep alle tien de doelen langs en keek of er een was die dit zou moeten opvangen.
Werkgelegenheid: er was werk. Wonen: er waren huizen. Onderwijs: goed. Zorg: goed. Veiligheid, cultuur, samenhang: alles groen.
Op de vergadering zei zij: "Ik heb alles gehaald wat wij hebben afgesproken te halen. En het dorp loopt leeg."
Iemand zei dat de cijfers dan misschien niet klopten.
"De cijfers kloppen," zei zij. "Ik heb ze drie keer laten narekenen. Dat is nu juist het vervelende."
Zij is er twee jaar over blijven denken. Op het laatst schreef zij er één zin over in het verslag, en die zin heeft langer gewerkt dan al haar cijfers:
Als alles wat wij meten goed staat en het gaat slecht, dan meten wij het verkeerde.
Wat zou er misgaan terwijl al uw cijfers goed staan?
En niemand had gelogen.
Deel IV
Waarin men ontdekt dat de kleine ingreep verder komt dan de grote, en dat de volgorde belangrijker is dan de kracht.
Verhaal 14
Er was één bron en er waren twee akkers, en de twee boeren die ze bewerkten waren broers.
Om het jaar kreeg de een het water en de ander niet. In de jaren dat een van hen het water niet kreeg, oogstte hij minder dan de helft. Zij hadden er zeventien jaar ruzie over gemaakt en zij waren er allebei armer van geworden.
Men had geprobeerd de bron dieper te maken. Dat gaf niet meer water. Men had geprobeerd een tweede bron te slaan. Er was geen tweede bron. Men had geprobeerd het water half om half te verdelen, en toen oogstten zij allebei te weinig.
Theia was elf. Zij was die zomer bij haar oom op de akker en zij zag dat het water 's middags werd gegeven, wanneer het het hardst nodig leek.
Zij vroeg waarom.
"Omdat de grond dan droog is."
"Maar het is dan ook het heetst," zei zij.
Men is het 's nachts gaan geven.
Er ging bijna niets meer verloren in de lucht. Er bleef genoeg over voor beide akkers.
Het had niets gekost. Het had zeventien jaar geduurd.
De oudste broer heeft er later over gezegd dat hij zeventien jaar naar de bron had gekeken. Geen enkele keer had hij naar de lucht gekeken.
Zoekt u meer water, of minder verdamping?
En niemand had gelogen.
Verhaal 15
De smid had een mengsel nodig dat de vloer van de smederij kon dragen en niet zou scheuren van de hitte. Alles wat hij probeerde, scheurde.
Hij maakte het mengsel natter. Het scheurde. Hij maakte het droger. Het scheurde anders. Hij haalde ander zand uit een andere groeve en betaalde er het dubbele voor. Het scheurde.
Hij was er vier maanden mee bezig en hij had in die vier maanden de hele vloer drie keer opnieuw gestort.
Een oude vrouw uit het dorp, die niets van vloeren wist maar veel van ovens, kwam kijken. Zij zat op een kruk in de deuropening en zei lang niets.
Toen zei zij: "Doe er as door."
"As?"
"Een handvol op een emmer. Niet meer."
Hij vond het onzin en hij deed het toch, want hij was moe.
Het scheurde niet.
Zij kon hem niet uitleggen waarom. Zij zei alleen dat haar moeder dat altijd deed bij het ovenbed, en dat een oven ook heet werd.
Later heeft iemand het uitgezocht en er bleek een reden voor te zijn, en die reden vulde drie bladzijden.
De smid had vier maanden geprobeerd de hele massa te veranderen.
Wat hielp was iets anders, in kleine hoeveelheid, goed verdeeld.
Verandert u het geheel, of het weinige dat het geheel bepaalt?
En niemand had gelogen.
Verhaal 16
Er lagen twee boten in de haven die in hetzelfde jaar waren gebouwd.
De ene was snel. Hij lag hoog, hij had weinig weerstand, en met een goede wind was hij bij de banken voordat de andere de pieren uit was.
De andere was traag. Hij lag laag en zwaar en hij was gebouwd met een dichte voorplecht die de zee eroverheen liet lopen in plaats van hem tegen te houden.
Elf jaar lang won de snelle. Elf jaar lang verdiende hij meer, en de eigenaar van de trage moest het aanhoren.
In het twaalfde jaar kwam er in oktober een storm die niemand had verwacht, ook Alkion niet, en die duurde negentien uur.
De snelle boot is niet teruggekomen. De bemanning wel; zij zijn opgepikt.
De trage lag de volgende ochtend aan de kade met een gescheurd zeil en verder niets.
Er is toen geen les uit getrokken en er is niemand die zei dat men het had kunnen weten. Het was elf jaar lang verstandig geweest om de snelle te bouwen.
Maar toen Nikos zijn eerste boot liet bouwen, ging hij niet uit van een goede dag.
Men vroeg hem waarom hij zo zwaar bouwde.
Hij zei: "Ik bouw voor de negentien uur."
Ontwerpt u voor de goede dag of voor de slechtste?
En niemand had gelogen.
Verhaal 17
Er kwam nieuw zaad in het dorp. Het beloofde veel: meer opbrengst, minder water, en het zou de grond vasthouden.
De boeren wilden het meteen. Zij hadden een slecht jaar achter de rug en dit was iets om je aan vast te houden.
Een van hen, de oudste, zaaide één hoek in. Een halve morgen land, achter de sloot, waar de grond toch al niet veel gaf.
Men lachte hem uit. Men zei dat hij bang was.
Het zaad deed het goed. Het kwam op, het stond hoog, het hield de grond vast zoals beloofd.
En in het derde jaar kwam er een schimmel die men hier niet kende en die in dit gewas kroop en er niet meer uit ging.
De oudste boer verloor een halve morgen land.
De anderen verloren hun oogst en moesten twee jaar wachten voordat de grond weer schoon was.
Toen men hem later vroeg hoe hij het had geweten, zei hij dat hij het niet had geweten.
"Ik wist niets," zei hij. "Ik wist alleen wat het mocht kosten als ik het mis had."
Wat kost het als u het mis heeft, en kunt u dat betalen?
En niemand had gelogen.
Verhaal 18
Er moest een nieuwe steiger komen aan de zuidzijde. Er waren vijf dingen nodig voordat er één paal de grond in kon.
Men begon bij de eerste, want dat leek logisch: eerst de grond, dan het hout, dan de vergunning, dan het geld, dan de mannen.
Bij de grond kwam men vast te zitten, want de eigenaar was overleden en de erfenis lag bij een notaris in de hoofdstad.
Men wachtte zeven maanden.
In die zeven maanden gebeurde er niets, want alles wat er te doen was, kwam volgens de lijst pas later.
Theia was toen dertien en zij zat erbij omdat haar vader in de commissie zat. Zij had de lijst gezien en zij begreep niet waarom men in die volgorde werkte.
"Voor welke van de vijf hebt u iemand anders nodig?" vroeg zij.
Men rekende het na. Voor de grond en voor de vergunning had men een ander nodig. Voor het hout, het geld en de mannen niet.
Zij hebben het hout gekocht, het geld bijeengelegd en de mannen geregeld, terwijl de notaris deed wat notarissen doen.
Toen het papier er eindelijk was, stond het hout al droog onder een zeil.
Sindsdien maakt men in dat dorp twee lijsten. Op de ene staat wat men zelf kan. Op de andere staat waarvoor men moet wachten.
Men begint altijd bij de eerste lijst.
Wat op uw lijst kunt u vandaag doen zonder iemands toestemming?
En niemand had gelogen.
Deel V
Waarin men leert opschrijven wat men niet weet, en waarin blijkt dat toegeven sneller is dan gelijk houden.
Verhaal 19
Anthea hield een boek bij in de kliniek. Zij noteerde per patiënt wat er was gedaan en wat er was gezien.
Bij een oude visser met kortademigheid schreef zij op wat zij had gemeten, en daarna liet zij een regel open.
De dokter zag het en vroeg wat die lege regel betekende.
"Er is iets," zei Anthea. "Ik weet niet wat. Hij ademt anders dan de anderen met hetzelfde. Ik kan het niet benoemen, dus ik schrijf het niet op."
"Schrijf dan op wat u denkt."
"Nee," zei zij. "Als ik opschrijf wat ik denk, staat het er over tien jaar als iets wat is vastgesteld."
De dokter vond het slordig en liet het zo.
Elf jaar later kwam er een jonge arts die de oude boeken doornam omdat er in het dorp iets speelde met de longen van vissers, en zij zocht naar een patroon.
Wat zij vond waren zeven lege regels. Zeven keer, bij zeven verschillende mensen, over veertien jaar, had Anthea een regel opengelaten.
Alle zeven waren visser geweest. Alle zeven hadden op dezelfde werf gewerkt.
Als Anthea had opgeschreven wat zij dacht, had er zeven keer iets anders gestaan, en niemand had er iets in gezien.
Wat men vindt is niet altijd wat er staat. Soms is het wat er open is gelaten.
Wat weet u niet, en durft u dat zo op te schrijven?
En niemand had gelogen.
Verhaal 20
Demira's neef, die de bakkerij dreef, hield van orde. Hij had een boek waarin hij alles bijhield over het meel: wat het woog, wat het kostte, waar het vandaan kwam.
Anthea zag dat hij twee inktpotten had staan.
"Waarom twee?"
"De zwarte is wat ik heb gewogen," zei hij. "De bruine is wat ik heb opgeteld of afgeleid."
Zij vond het overdreven en zij zei dat ook.
Hij haalde zijn schouders op. Zijn tante had het hem geleerd en hij had er nooit over nagedacht.
Vier jaar later was er een geschil met een leverancier over een levering van drie jaar eerder. Er lagen twee boeken op tafel: dat van de leverancier en dat van de bakker.
Beide boeken klopten. Beide boeken gaven een ander getal.
Men liep het na. In het boek van de leverancier stonden alle getallen in dezelfde inkt en niemand kon meer zeggen welke waren gewogen en welke berekend.
In het boek van de bakker was het verschil op één bladzijde te zien.
Wat er was gebeurd, bleek in twee minuten: hij had een keer een gemiddelde gebruikt in plaats van een weging, en dat stond in bruin.
Er is niemand op de vingers getikt. Men heeft het verschil gedeeld en men is doorgegaan.
Maar de leverancier is sindsdien ook met twee inktpotten gaan werken.
Kunt u in uw eigen aantekeningen zien wat gemeten is en wat afgeleid?
En niemand had gelogen.
Verhaal 21
Er was een man in het dorp die alles wist. Dat is te sterk gezegd, maar zo werd er over hem gesproken.
Wanneer hem iets werd gevraagd, antwoordde hij meteen en zijn antwoord was helder.
Op een vergadering over het wegzakken van de zuidelijke kade zei hij dat het door het gewicht van de opslag kwam.
Iemand sprak hem tegen. De opslag stond er pas twee jaar en de kade zakte al langer.
Hij dacht een tel na en zei toen dat het door de stroming kwam die het zand onder de damwand weghaalde.
Dat klonk goed. Beter zelfs dan het eerste. Men knikte.
Anthea zat erbij en zij zei niets, maar zij ging naar huis met een ongemakkelijk gevoel dat zij pas de volgende ochtend kon benoemen.
Hij had niet gezegd waar zijn eerste antwoord fout was geweest.
Hij was van het ene antwoord naar het andere gestapt zonder de tussenruimte aan te raken, en in die tussenruimte zat het enige wat men had kunnen leren.
Zij is het gaan vragen. Zij ging naar hem toe en zij vroeg hem niet of hij gelijk had, maar waar zijn eerste antwoord was misgegaan.
Hij wist het niet.
Het bleek later het water te zijn geweest dat van de landzijde kwam, en dat was iets wat niemand had genoemd omdat men naar de zee had gekeken.
Twee mooie antwoorden hadden allebei naar de verkeerde kant gewezen.
Als u wordt tegengesproken, geeft u een nieuw antwoord of zoekt u de fout?
En niemand had gelogen.
Verhaal 22
De put achter de school gaf geen water meer. Hij had het altijd gegeven.
Men kwam bijeen. De eerste avond sprak men over de droogte, want het had weinig geregend, en men was het daar over eens.
De tweede avond kwam men bijeen omdat men zich bedacht had dat de andere putten het wel deden. Men sprak over de bodem, over een verschuiving, over een oude leiding. Men was het niet eens en men ging naar huis.
De derde avond kwam men opnieuw bijeen en men zei ongeveer hetzelfde als de tweede avond, met andere woorden.
Theia was er de derde avond bij. Zij was toen veertien en zij mocht mee omdat haar moeder meesprak.
Aan het eind van die avond zei zij: "Dit hebben we gisteren ook gezegd."
Men keek naar haar.
"Ja," zei iemand. "Maar we zijn er nog niet uit."
"Nee," zei zij. "Maar er is sinds gisteren niets bij gekomen."
De volgende ochtend is zij er zelf heen gegaan met een touw en een steen. Zij liet de steen zakken en telde.
Er zat water in. Ruim.
De emmerketting was gebroken op vijf meter en het uiteinde hing keurig recht naar beneden, zodat men van boven niets zag.
Drie avonden.
Hoeveel keer bent u al op hetzelfde antwoord teruggekomen?
En niemand had gelogen.
Verhaal 23
Theia was zestien en zij was vervelend geworden.
Dat vond men in het dorp, en het was niet helemaal onwaar. Zij stelde bij alles dezelfde vraag, en de vraag was: waaraan zou ik merken dat het niet zo is?
Wanneer iemand zei dat de vangst slechter werd omdat er te veel boten waren, vroeg zij het. Wanneer de meester zei dat kinderen tegenwoordig minder konden rekenen, vroeg zij het.
Meestal was er geen antwoord.
Dat was het onaangename eraan. Niet dat zij gelijk kreeg, maar dat er zo vaak niets was.
De meester werd er kwaad om, en hij zei dat men niet alles kan bewijzen en dat sommige dingen gewoon zo zijn.
"Dat kan," zei Theia. "Maar dan is het geen bewering, dan is het een gevoel. En dan moet u het zo noemen."
Bij één ding gaf men wel antwoord.
Alkions kleinzoon zei dat de motoren op ethanol minder onderhoud vroegen dan de oude, en toen zij het vroeg, zei hij: "Als het niet zo is, dan liggen de boten vaker aan de kade dan vroeger. Dat staat in het boek van de havenmeester."
Zij hebben het opgezocht. Het klopte.
Dat was de enige bewering die die winter overeind bleef, en het was de enige die van tevoren had gezegd hoe zij kon vallen.
Wat zou u moeten zien om te weten dat u zich vergist?
En niemand had gelogen.
Deel VI
Waarin het goede dat werd opgebouwd blijft draaien terwijl niemand meer weet waarom het zo is opgezet.
Verhaal 24
Alle veertien boten voeren op ethanol. Dat was zo sinds de tijd van Ruud, die uit Rotterdam kwam en de eerste motor had ingebouwd bij Alkion.
Nikos was drieëntwintig en hij had zijn eerste eigen boot. Hij vroeg de havenmeester waarom men hier op ethanol voer en niet op wat de rest van de kust gebruikte.
De havenmeester wist het niet precies. Hij zei dat het schoner was.
Nikos vroeg het aan de motorenman. Die zei dat het stiller was.
Hij vroeg het aan een oude visser. Die zei dat het goedkoper was.
Alle drie de antwoorden waren waar en alle drie waren zij het antwoord niet.
Het echte antwoord stond in een boek dat in de kast van de havenkas lag: men was overgestapt omdat de brandstof uit het zuiden kwam, uit een streek die vijftien jaar daarvoor woestijn was geweest, en omdat de haven en die streek elkaar daarmee vasthielden.
Het was geen technische keuze geweest. Het was een verbond.
Niemand in de haven wist dat nog.
En omdat niemand het wist, was er ook niemand die het merkte toen er twee jaar later brandstof werd aangeboden die goedkoper was en van heel ergens anders kwam.
Men nam het aan. Waarom niet? Het was hetzelfde spul.
Weet u nog waarom u doet wat u doet, of alleen dát u het doet?
En niemand had gelogen.
Verhaal 25
De havenkas bestond zesendertig jaar. Zij had drie boten teruggekocht en die verhuurde zij aan jonge vissers die geen geld hadden.
Zij werkte. Er was nooit ruzie over geweest.
De regels waren opgeschreven op vier bladzijden door mensen die inmiddels allemaal dood waren.
Op bladzijde drie stond dat een boot na tien jaar verhuur eigendom werd van de huurder, tenzij de kas anders besloot.
Dat had men altijd zo gedaan.
Wat niemand meer wist, was waarom die tien jaar er stond. Het getal kwam uit de tijd dat een boot in tien jaar was afgeschreven.
Een boot met een ethanolmotor gaat vijfentwintig jaar mee.
Er waren dus drie boten weggegeven die nog vijftien jaar hadden kunnen dragen, en er waren jonge vissers geweest die geen boot hadden gekregen omdat de kas leeg was.
Toen men dit uitrekende, was er niemand kwaad. Iedereen had gedaan wat er stond.
Men heeft het getal veranderd in achttien jaar, en men heeft erbij geschreven waar het vandaan kwam en wanneer het opnieuw moest worden bekeken.
Dat laatste was nieuw. Op de vier oude bladzijden stond bij geen enkele regel wanneer men hem opnieuw moest bekijken.
Staat er bij uw afspraken wanneer ze opnieuw moeten worden nagekeken?
En niemand had gelogen.
Verhaal 26
Alkion had ooit een anker besteld bij de smid in plaats van het te laten komen. Het had drie keer zoveel gekost en hij had zich er niet voor verantwoord.
Zijn kleinzoon vond de rekening terug toen hij het huis leeghaalde.
Hij was een rekenaar en hij ging het narekenen, want hij wilde weten of zijn grootvader dwaas was geweest of niet.
Hij telde op wat het extra had gekost: het verschil, en de rente over dertig jaar.
Toen telde hij op wat het had opgeleverd. Dat was moeilijker, want het stond nergens.
De smid had dat jaar zijn zoon in dienst kunnen houden. Die zoon had later de beslagen voor de eerste ethanolmotoren gemaakt, want er was hier niemand anders die dat kon. Zonder hem waren de motoren uit de hoofdstad moeten komen en dat had men zich toen niet kunnen veroorloven.
Hij kwam op een getal dat zo groot was dat hij het drie keer overdeed.
Toen hij het aan Anthea liet zien, zei zij: "Reken dat maar niet voor."
"Waarom niet?"
"Omdat je het van tevoren niet had kunnen weten. Hij ook niet."
"Waarom deed hij het dan?"
Anthea dacht na.
"Omdat hij de smid kende," zei zij.
Wat betaalt u drie keer, en aan wie?
En niemand had gelogen.
Verhaal 27
Er waren vier weefsters in het dorp. Zij leverden aan de markt en aan twee winkels in de hoofdstad.
Iedereen wist dat er werk was voor drie.
Niemand zei het.
Men zei het niet omdat het wreed zou klinken en omdat niemand wilde zeggen welke van de vier er te veel was.
Dus deelden zij het werk, en zij verdienden alle vier te weinig.
De jongste, die het minste had, hield het twee jaar vol. Toen ging zij weg naar de hoofdstad en zij is niet teruggekomen.
Zij was de beste van de vier.
Dat wisten ze alle drie, en het is een van de weinige dingen waar in dat dorp nooit over is gesproken.
Klytia heeft er één keer iets over gezegd, tegen Anthea, in het laatste jaar dat zij nog helder was.
"Wij waren zo bang om iemand pijn te doen," zei zij, "dat wij hebben laten gebeuren dat de verkeerde vertrok."
Welke waarheid spreekt u niet uit uit vriendelijkheid?
En niemand had gelogen.
Deel VII
Waarin men in het zuiden ontdekt dat men een halve eeuw naar één product heeft gekeken terwijl er vier in het gewas zaten.
Verhaal 28
In het zuiden, waar veertig jaar eerder woestijn was geweest, groeide het hoge gras nu op tienduizend plaatsen.
Men oogstte het, men perste het, men maakte er brandstof van, en die brandstof ging naar het noorden.
Dat werkte. Er waren scholen gekomen en een dokter en licht in de huizen.
De kleinzoon van Mamadou was tweeëntwintig en hij was de eerste van zijn familie die had gestudeerd.
Hij kwam terug in het dorp en hij stelde één vraag die niemand had gesteld.
"Wat zit er nog meer in?"
Zijn oom begreep de vraag niet.
"Wij maken brandstof," zei hij. "Dat is wat het is."
"Dat is wat wij ervan maken," zei de jongen. "Ik vraag wat erin zit."
Men heeft het laten onderzoeken. Het duurde een halfjaar en het kostte geld dat men liever aan een pomp had uitgegeven.
Er zaten vier dingen in.
Er zat suiker in, en daar maakte men de brandstof van, en dat was ongeveer een derde.
Er zat een tweede soort suiker in waar men niets mee deed.
Er zat een bruine stof in die men verbrandde omdat men niet wist wat het was.
En er zat eiwit en olie in het zaad van de plant die ertussen groeide.
Men had veertig jaar één van de vier gebruikt.
Wat maakt u van uw grondstof, en wat zit erin?
En niemand had gelogen.
Verhaal 29
Bij de pers lag een berg. Die berg heette rest.
Men reed hem weg. Dat kostte geld en men had er nooit anders over nagedacht, want het was rest en rest rijdt men weg.
De jongen die had gestudeerd, liet de berg wegen.
Dat was een vreemd verzoek. Men weegt geen rest.
De berg woog meer dan wat er uit de pers was gekomen.
Meer dan het product.
Zij stonden er met zijn vieren omheen en zij zeiden een tijdlang niets, want als je iets zesenzestig keer per jaar wegrijdt en het weegt meer dan wat je verkoopt, dan is er iets grondig anders dan je dacht.
"Wij zijn geen brandstoffabriek," zei de jongen ten slotte.
"Wat zijn wij dan?"
"Wij weten het niet. Wij hebben nog nooit gekeken."
Zij hebben er dat jaar niets mee gedaan. Zij hadden er de mensen niet voor en het geld niet voor.
Maar zij zijn opgehouden het rest te noemen, en dat was het enige wat zij die winter deden.
Twee jaar later kwam er iemand uit het noorden die het kwam kopen.
Weegt wat u weggooit meer dan wat u verkoopt?
En niemand had gelogen.
Verhaal 30
De eerste weg die niet zwart was, lag tussen twee dorpen in het zuiden en hij was elf kilometer lang.
Hij was grijsbruin, ongeveer de kleur van natte klei wanneer die opdroogt.
Hij was gemaakt van steen en zand zoals alle wegen, maar wat de steen bij elkaar hield, was uit het veld gekomen.
De oude mannen vertrouwden hem niet.
Zij liepen erop en zij stampten erop en zij zeiden dat een weg zwart hoort te zijn, en dat een weg die niet zwart is, geen weg is.
Er werd om gelachen en er werd niet naar geluisterd, want de weg lag er en hij hield.
De kinderen vonden hem niets bijzonders.
Dat is het enige wat in dit verhaal gebeurt, en het is genoeg.
Voor de kinderen die op die weg leerden fietsen was een weg grijsbruin, en zwart was iets vreemds uit een ander land.
Er is geen sterkere manier om iets te veranderen dan dat.
Het duurt alleen een generatie, en dat is de reden dat bijna niemand het probeert.
Wat vinden de kinderen normaal dat u nog vreemd vindt?
En niemand had gelogen.
Deel VIII
Waarin men ontdekt dat een eis uit een ander klimaat komt en dat de goedkoopste keuze de duurste is.
Verhaal 31
De weg in het zuiden werd afgekeurd.
Er kwam een keurmeester en hij had een boek bij zich, en in dat boek stond dat een wegdek een proef moest doorstaan bij vijftien graden onder nul.
"Het vriest hier nooit," zei de aannemer.
"Dat staat er niet," zei de keurmeester. "Er staat wat er staat."
Hij had gelijk. Hij deed zijn werk zoals het hoorde en hij was geen onredelijk man. Hij had het boek niet geschreven.
Men heeft uitgezocht waar het boek vandaan kwam. Het was opgesteld in een land waar het vier maanden per jaar vriest, en het was hier overgenomen omdat men bij het opstellen van de eigen regels een goed voorbeeld had gezocht en dat was het beste dat er was.
Dat was tweeëntwintig jaar geleden gebeurd.
Er bestond ook een ander boek, geschreven voor wegen in warme streken met weinig verkeer, en dat boek lag in dezelfde kast.
Niemand had het ooit opengeslagen, omdat het dunner was.
Het heeft vier jaar geduurd voordat de eis werd aangepast.
In die vier jaar zijn er in dat gebied achtenveertig kilometer weg niet aangelegd die er hadden kunnen liggen.
Niemand had gelogen. Er was zelfs niemand die het oneens was.
Uit welk klimaat komt de norm waaraan u wordt afgemeten?
En niemand had gelogen.
Verhaal 32
Twee dorpen bouwden in hetzelfde jaar dezelfde weg, even lang en even breed, en het kostte allebei hetzelfde.
In het ene dorp kwam het bindmiddel van de overkant van de zee. Het werd betaald en het geld ging weg.
In het andere kwam het van het veld achter het dorp. Het werd betaald en het geld bleef.
In de boeken van de gemeente stond bij allebei hetzelfde bedrag.
De rekenmeester van de provincie legde de twee dossiers naast elkaar en zei dat de dorpen vergelijkbaar hadden gepresteerd.
Dat was waar volgens zijn boeken.
Anthea zat in die vergadering omdat de kliniek onder dezelfde begroting viel.
Zij zei: "In het tweede dorp hebben elf mensen die zomer gewerkt."
"Dat staat hier niet in," zei de rekenmeester.
"Nee," zei zij. "Daarom zeg ik het."
Hij was niet onwelwillend. Hij zocht in zijn stukken en hij zocht lang, en toen zei hij eerlijk dat er in zijn hele model geen plaats was waar dat verschil terecht kon komen.
Het was geen kostenpost en het was geen opbrengst.
Het was er alleen.
Wat gebeurt er in uw dorp dat nergens in de boeken terechtkomt?
En niemand had gelogen.
Verhaal 33
Er moest een weg komen naar de hoger gelegen akkers.
Er waren twee mogelijkheden. De ene kostte bij de aanleg minder en moest elke drie jaar worden hersteld. De andere kostte bij de aanleg de helft meer en ging vijftien jaar mee.
Over vijftien jaar gerekend was de tweede goedkoper. Niet een beetje.
Iedereen wist dat. De opzichter wist het, de wethouder wist het, en de aannemer wist het het beste van allemaal want hij had beide gebouwd.
Men koos de eerste.
Niet uit domheid. Het aanlegbudget en het onderhoudsbudget waren twee potten, en zij hadden twee verschillende beheerders, en de man die koos betaalde alleen uit de eerste pot.
De onderhoudspot was het probleem van iemand anders, over drie jaar.
Toen Theia dit hoorde, was zij zeventien, en zij werd er kwader om dan men van haar gewend was.
Zij wilde weten wie er schuldig was.
Anthea zei tegen haar dat er niemand schuldig was, en dat dat het ergste was.
"Er is niets aan te doen dan?"
"Jawel," zei Anthea. "Maar niet met een betere weg. Met een andere pot."
Wordt uw keuze bepaald door wat goed is of door uit welke pot het komt?
En niemand had gelogen.
Deel IX
Waarin het goed geregelde bestuur precies datgene niet ziet wat het niet meet.
Verhaal 34
Het dorp had tien doelen en elk kwartaal een dashboard, en dat werkte al bijna veertig jaar.
Het jaar dat Theia negentien werd, stonden alle tien de doelen op groen.
Zij ging weg.
Zij ging naar de hoofdstad, zoals negentien anderen dat jaar, en zij kwam niet terug voor haar achtentwintigste.
Toen zij terugkwam, was zij bij de burgemeester en zij vroeg waarom er geen elfde doel was.
"Waarvoor?"
"Voor wie er weggaat."
De burgemeester zei dat men dat niet kon meten, want mensen mogen gaan waarheen zij willen en het is niet aan de gemeente om dat te tellen.
"U telt wie er komt," zei Theia. "Dat staat bij wonen."
Daar had de burgemeester geen antwoord op.
Er is een elfde cijfer bij gekomen. Het was het eerste cijfer dat rood stond en het heeft elf jaar rood gestaan.
Dat elf jaar rood staan heeft meer veranderd dan de tien groene samen.
Wat telt u niet omdat u het niet mag tellen?
En niemand had gelogen.
Verhaal 35
In dat dorp vervielen gewone regels na vijf jaar en belangrijke na tien. Dat was zo bedacht opdat niemand zou worden geregeerd door een besluit dat niemand meer begreep.
Het werkte. Elk jaar verviel er van alles en men keek ernaar en men hield wat men wilde houden.
Er was één regel die nooit was vervallen.
Dat was de regel die zei dat regels vervallen.
Het stond er niet bij, want men had er niet aan gedacht. Zij was opgeschreven in het eerste jaar en zij was nooit langs de burgerraad gegaan.
Toen iemand dit ontdekte, was er even paniek, want betekende dit dat alles ongeldig was.
Dat betekende het niet, en een jurist heeft dat op één bladzijde uitgelegd.
Maar de vraag die bleef hangen was ongemakkelijker.
Veertig jaar lang was elke regel nagekeken behalve de belangrijkste.
Men had het instrument gebruikt op alles behalve op het instrument.
Welke van uw regels is nooit langs uw eigen regels gegaan?
En niemand had gelogen.
Verhaal 36
De burgerraad werd door loting samengesteld, twaalf mensen, elk jaar nieuw.
In het jaar dat Theia eenentwintig werd, zat er een raad die goed werkte. Zij waren snel, zij waren grondig en zij waren het over vrijwel alles eens.
Men prees hen.
Anthea, die toen bij de kliniek nog een halve dag werkte, keek de lijst van namen na omdat zij er een kende.
Van de twaalf woonden er tien binnen vierhonderd meter van de kade.
Dat was geen opzet. De loting was zuiver geweest. Maar men had geloot uit de lijst van mensen die zich beschikbaar hadden gesteld, en beschikbaar stelt zich wie tijd heeft, en tijd heeft wie dicht bij het gemeentehuis woont en geen land te bewerken heeft.
De raad had dat jaar drie besluiten genomen over het achterland.
Alle drie waren zij eensgezind aangenomen.
Er had niemand in gezeten die er woonde.
Waarom is uw gezelschap het zo snel eens?
En niemand had gelogen.
Deel X
Waarin iedereen de vier zuilen draagt en het toch misgaat, omdat er onder alles één aanname lag die niemand meer nakeek.
Verhaal 37
Op de nacht van de zeventiende oktober brak de noordelijke damwand.
Het was geen storm. Het waaide, meer niet. De zee stond hoog maar niet hoger dan zij vier keer per jaar staat.
Om tien over twee 's nachts gaf de wand mee over een lengte van veertig meter en het water liep de lage straten in.
Er is niemand verdronken. Dat is een groot geluk geweest en het had ook anders kunnen aflopen.
De havenmeester was binnen zeven minuten aan de kade. De klokken luidden binnen twaalf. De vissers kwamen van hun bed en zij hebben die nacht drieënzestig mensen uit de lage huizen gehaald.
Anthea was zestig en zij heeft van twee uur 's nachts tot elf uur 's ochtends in het schoolgebouw gestaan.
Er is die nacht niemand geweest die niet deed wat hij kon.
Er is niemand geweest die iets achterhield.
Er is niemand geweest die naar zichzelf keek.
Men heeft er later over gezegd dat het de mooiste nacht van het dorp is geweest, en dat is een vreselijke zin, maar hij is waar.
En de volgende ochtend, toen het water zakte, stond iedereen op de kade naar het gat te kijken en niemand begreep het.
Want er was niets gebeurd.
Wat gaat er stuk terwijl iedereen zijn plicht doet?
En niemand had gelogen.
Verhaal 38
Er kwam een onderzoek en het duurde vijf maanden.
Men keek naar het onderhoud. Het onderhoud was op orde. Er was geïnspecteerd zoals het hoorde, elk jaar, en de verslagen lagen er.
Men keek naar de aannemer. De aannemer had geleverd wat er was besteld.
Men keek naar het bestuur. Het bestuur had betaald wat er nodig was, elk jaar, zonder korten.
Men keek naar de inspecteur. Hij had gemeten wat er gemeten moest worden en hij had het goed gemeten.
Vier mensen hadden hun werk gedaan en de wand was gevallen.
Toen ging men terug in de tijd, en dat was het moeilijkste deel van het onderzoek, want men moest kasten open die tweeëndertig jaar dicht waren geweest.
De inspectie schreef voor dat men de wand op vier punten meet.
Die vier punten waren tweeëndertig jaar geleden gekozen. Zij waren goed gekozen, want zij lagen op de plaatsen waar de wand toen het zwaarst werd belast.
In de negen jaar daarna is de vaargeul verlegd.
Daardoor kwam de stroming anders te staan en verplaatste de zwaarste belasting zich naar een punt dat honderdtwintig meter verderop lag.
Men is blijven meten op de vier punten.
Tweeëntwintig jaar lang goede metingen op de verkeerde plaats.
Niemand had gelogen.
Waar staan uw vier meetpunten, en wanneer zijn ze gekozen?
En niemand had gelogen.
Verhaal 39
Toen het onderzoek klaar was, kwam er een oude man met een boek.
Het was een oud boek, met een gebroken rug, en hij zei dat het van zijn vader was geweest.
Het was een van de eerste afschriften van het boek van Kosus, uit de tijd dat men het nog met de hand overschreef.
Hij sloeg het open bij een verhaal en hij las het voor.
Het ging over een vrouw die brood bakte en die op een dag ontdekte dat er in haar zakken meel te weinig zat, en die daarna elke zak woog.
Het verhaal was iedereen in de zaal bekend. Men kende het uit het hoofd.
Toen hij was uitgelezen, zei hij: "Er staat nog iets."
En hij las de laatste regel, die niemand ooit had aangehaald omdat het geen mooie regel is:
En zij woog ook de zakken van de nieuwe leverancier.
Er ging een geluid door de zaal.
Want dat is de hele zaak. Zij is niet gestopt met wegen toen zij een leverancier had die klopte.
Het had er tweeëndertig jaar gestaan. Men had het duizend keer voorgelezen.
Men had de eerste helft onthouden.
Welke laatste regel van uw eigen boek slaat u over?
En niemand had gelogen.
Deel XI
Waarin blijkt dat men het onderscheid niet kan opschrijven, alleen kan voordoen.
Verhaal 40
Theia was toen tweeëntwintig en zij werkte bij de havenkas.
Na de damwand kwam zij bij Anthea aan de deur, 's avonds, en zij was boos.
"U wist het," zei zij.
"Nee," zei Anthea.
"U wist het wel. U hebt uw hele leven de dingen nagekeken die anderen niet nakeken. Waarom hebt u de damwand niet nagekeken?"
Anthea liet haar binnen en zij zette thee, en toen ging zij zitten en zij zei het eerlijk.
"Omdat ik naar de kliniek keek. En naar het meel. En naar de brug. En niet naar de wand."
"Dan werkt het niet."
"Nee," zei Anthea. "Het werkt niet zoals jij denkt dat het werkt. Het is geen zeef die alles vangt. Het is één mens die op één plek kijkt."
Theia zei niets.
"Daarom moeten het er veel zijn," zei Anthea. "Dat is het enige antwoord dat ik heb en het is een mager antwoord."
Theia is die avond laat weggegaan.
Zij is de week daarna begonnen met het nalopen van de havenkas, van voren naar achteren, en zij heeft er drie jaar over gedaan.
Zij vond er zeven dingen.
Anthea heeft er vier van meegemaakt.
Op welke plek kijkt u, en wie kijkt op de andere?
En niemand had gelogen.
Verhaal 41
Men wilde het onderwijzen.
Dat was goed bedoeld. Na de damwand vond men dat de kinderen dit moesten leren, en men maakte een les.
De les heette Het Onderscheid en hij duurde een uur per week.
Er stonden regels op het bord. Wat weet je. Wat neem je aan. Waar komt het getal vandaan. Waaraan zou je merken dat het niet zo is.
De kinderen leerden het uit het hoofd en zij konden het opzeggen.
Op de toets deden zij het goed. Zesenveertig van de tweeënvijftig haalden het.
En op de speelplaats geloofden zij nog steeds alles wat de grootste jongen zei.
De meester zag het en hij werd er moedeloos van.
Hij ging naar Theia, die toen dertig was, en hij vroeg wat hij verkeerd deed.
Zij is een middag in zijn klas komen zitten. Zij zei niets en zij keek.
Aan het eind zei zij: "U hebt vanmiddag zeventien dingen gezegd. Bij niet één ervan hebt u gezegd waar u het vandaan had."
"Ik ben de meester."
"Ja," zei zij.
Hij is het gaan doen. Bij elke bewering die hij deed, zei hij erbij hoe hij het wist, en soms zei hij dat hij het niet wist.
Dat kostte hem in het begin de helft van zijn gezag.
Na twee jaar begonnen de kinderen het aan elkaar te vragen.
Zegt u erbij hoe u het weet?
En niemand had gelogen.
Verhaal 42
Anthea werd oud. Zij ging op haar tweeënzeventigste weg uit de kliniek en zij zat daarna veel bij het raam.
Zij zag de kade en zij zag de nieuwe damwand, die op zeven punten werd gemeten en waarbij in het boek stond wanneer die zeven punten opnieuw moesten worden gekozen.
Zij had veertien pagina's geschreven toen zij jong was, over haar grootmoeder en over de oude man, en die pagina's lagen nog in een la.
Zij haalde ze eruit en zij las ze.
Zij vond ze niet goed. Zij vond ze te zeker.
Zij heeft er niets aan veranderd.
Onder aan de laatste bladzijde heeft zij één zin bijgeschreven, in een handschrift dat beefde, tweeënvijftig jaar na de eerste.
Ik heb dit opgeschreven toen ik dacht dat ik het begreep.
En daaronder de datum.
Dat is de enige keer geweest dat Anthea iets heeft doorgehaald noch weggegooid, maar erbij is gaan staan.
Die veertien pagina's met die ene zin eronder zijn het begin geworden van het derde boek.
Wat hebt u opgeschreven toen u dacht dat u het begreep?
En niemand had gelogen.
Deel XII
Waarin het onderscheid geen leer blijkt te zijn maar een gewoonte, en waarin het aan iemand wordt doorgegeven die er niet om heeft gevraagd.
Verhaal 43
Er kwam een man uit het noorden die het boek had gelezen en die een voorstel had.
Hij sprak goed en hij had het doordacht. Hij zei dat er een vijfde zuil bij moest, en hij had er een naam voor bedacht.
Hij zei dat de vier zuilen niet genoeg waren gebleken, want in de nacht van de zeventiende hadden alle vier overeind gestaan en de wand was toch gevallen.
Er zaten die avond veel mensen in de zaal en velen vonden dat hij gelijk had.
Theia was toen zesenveertig. Zij liet hem uitspreken.
Toen zei zij: "Waarop staat uw vijfde zuil?"
Hij begreep de vraag niet meteen.
"Een zuil staat naast de andere," zei zij. "Vier zuilen dragen een dak. Wat draagt de uwe?"
"Hetzelfde dak."
"Nee," zei zij. "Wat u beschrijft is geen zuil. Het is wat er onder de vloer zit. Het is wat je doet vóórdat je gaat dragen. Je kijkt of de grond het houdt."
De man zei dat dat toch een vijfde ding was en dat het dan ook een naam mocht hebben.
"Een naam wel," zei Theia. "Maar geen plaats in de rij. Zet het in de rij en men gaat het opzeggen als de andere vier, en dan is het over twintig jaar een woord op een plank."
Men heeft het niet in de rij gezet.
Het staat in dit boek en het staat nergens op een muur.
Draagt het, of ligt het eronder?
En niemand had gelogen.
Verhaal 44
Achter het dorp lag een tuin die de tuin van Jan werd genoemd, hoewel Jan al vijfenveertig jaar dood was.
Er was geen bord en er was geen hek. Er groeiden veertien soorten en elf ervan waren eetbaar.
Wie de tuin verzorgde, verzorgde hem tot hij het niet meer kon, en gaf dan de sleutel van het schuurtje aan iemand anders. Er werd niet bij gepraat. Men gaf de sleutel.
Theia was tweeënzeventig toen zij hem doorgaf.
Zij gaf hem aan een jongen van veertien die haar het jaar daarvoor had gevraagd waarom de tuin niet in rijen stond, zoals alle andere tuinen.
Zij had toen geantwoord dat het altijd zo was geweest.
En zij had er 's nachts wakker van gelegen, want dat was precies het antwoord waarvan zij haar leven lang had gezegd dat het geen antwoord is.
Zij is het gaan uitzoeken. Het bleek dat de tuin niet in rijen stond omdat Jan geen rijen kon harken door zijn rug.
Er zat geen wijsheid achter. Er zat een rug achter.
Zij heeft dat aan de jongen verteld toen zij hem de sleutel gaf. Meer heeft zij niet gezegd.
De jongen heeft de tuin in rijen gezet.
Het jaar daarop haalde hij ze eruit, want in rijen droogde de grond te snel uit tussen de planten, en zo bleek er toch iets te zijn dat Jan met zijn kromme rug had gevonden zonder het te weten.
Maar dat wist de jongen nu, en Jan had het nooit geweten, en dat is het verschil.
Aan wie geeft u de sleutel, en zegt u erbij waarom de tuin zo ligt?
En niemand had gelogen.
Dit boek doet één ding en het doet dat vierenveertig keer.
Het laat mensen zien die niet liegen, niet lui zijn, niet kwaadwillend zijn en niet dom zijn, en bij wie het toch misgaat. Het gaat mis omdat er onder hun goede werk een aanname lag die ooit klopte en die niemand meer had nagekeken.
Dat is niet troostrijk en het is niet bedoeld om troostrijk te zijn.
Wie na dit boek denkt dat hij nu weet hoe het moet, heeft het niet begrepen. Er is geen zeef die alles vangt. Anthea heeft haar leven lang nagekeken en de damwand is toch gevallen, en toen Theia haar dat verweet had Theia gelijk.
Het enige antwoord dat dit boek geeft, is het antwoord dat Anthea die avond gaf: dat het er dan veel moeten zijn.
Het is een mager antwoord.
Het is het enige dat er is.
———
Boek Drie is het boek van Anthea.
Het gaat over de vraag hoe een mens zo wordt grootgebracht
dat hij dit alles kan dragen.